“Ik ben te onbeduidend voor al de blijken van goedertierenheid en al de trouw die U Uw dienaar bewezen hebt” (Gen.32:10a). Dat zegt Jakob als hij uit het verre Haran weer in Kanaän komt. Overduidelijk duidt dat woord er op, dat Jakob een bedelman is. Maar wanneer hij komt op wat God tot hem heeft gesproken, zien we dat hij een edelman is. Zo is ook onze ootmoed als wij geloven geen slaafse kruiperigheid. We hebben God en we hebben Zijn Woord. Dat is een sterke pleitgrond. Wanneer wij bij God komen en de naam van Christus noemen, weigert de Vader ons niets. Zo kunnen we verder. Zo komen we thuis. En dan zeggen we dieper en dankbaarder dan dat we het hier ooit zeggen of beleven kunnen: “Ik ben te onbeduidend voor al de blijken van goedertierenheid en al de touw die U Uw dienaar bewezen hebt!” Met een vriendelijke groet,
uw ds. J.A.H. Jongkind.