De vraag “Wat geloven wij?” zou op nogal wat verschillende manieren beantwoord kunnen worden.

Kort en goed zou die bijv. met het citeren van Johannes 3:16 beantwoord kunnen worden. Met die bijbeltekst waarin de kern van de bijbel op een hele sprekende manier is samengevat: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe”.

Maar die vraag zou ook beantwoord kunnen worden door te wijzen op de “Apostolische Geloofsbelijdenis”, die in twaalf korte zinnen de hoofdinhoud van wat wij geloven, weergeeft. Deze “Apostolische Geloofsbelijdenis”, die stamt uit de kerk van de eerste eeuwen, wordt dan ook als regel in de tweede dienst van de zondag in de kerk voorgelezen en beleden.

Maar die vraag zou ook beantwoord kunnen worden door te wijzen op de Heidelberger Catechismus van 1563 die nog altijd als een raak en diep en duidelijk leerboek in de kerk en in de catechese dienst doet. Het leerboek waar de beroemde dr. H.F. Kohlbrugge (1803-1875) van zei, dat dat boekje “van eikenhout” is.

Maar voor een wat bredere kring van belangstellenden is het misschien het meest effectief, als ik de eerste paragraaf van het boekje “`t Is niet te hoog, `t is niet te diep” (Kampen, 1984) van dr. A.A. Spijkerboer in dit verband doorgeef, die daarin ook voor “niet-professionals” het geloof probeert duidelijk te maken.

“Ieder mens heeft de behoefte aan de goede kant te staan. De een vindt, dat hij aan de goede kant staat door naar de kerk te gaan, of tenminste nog te bidden, als hij er niet meer toe komt naar de kerk te gaan. De ander heeft de kerk helemaal niet nodig, en vindt dat hij aan de goede kant staat door als een fatsoenlijk mens te leven en, als het even kan, voor een ander klaar te staan. Er zijn duizend en één – kerkelijke en onkerkelijke – manieren om aan de goede kant te staan. Maar al die mensen die aan de goede kant staan blijken dan toch vaak één ding met elkaar gemeen te hebben, en dat is dat ze neerkijken op diegenen die, naar hun mening, niet aan de goede kant staan.

Het geloof begint hiermee dat je je door God laat zeggen, dat je niet aan de goede kant staat, dat God zijn barmhartigheid niet aan je kwijt kan wanneer je je verbeeldt dat je wel aan de goede kant staat, dat je géén redenen hebt op andere mensen neer te kijken, en dat je wel redenen hebt goed met hen om te gaan.

Jezus vertelt met het oog op mensen die erg tevreden zijn over zichzelf een verhaal. Het gaat over een Farizeeër en een tollenaar, die allebei naar de tempel gingen om te bidden. De Farizeeër ging breeduit staan, en zei: “O God, ik dank U dat ik niet zo ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of zoals die tollenaar daar! Ik vast twee keer in de week en één tiende van alles wat ik ontvang geef ik weg!” De tollenaar bleef op een afstand staan, durfde zelfs zijn ogen niet naar de hemel op te slaan, maar sloeg zich op de borst, en zei: “O God, wees mij, zondaar, genadig!” Dan trekt Jezus met nadruk een conclusie uit dit verhaal: de tollenaar stond in de goede houding tegenover God, en de Farizeeër niet (Lucas 18:9-14).

Waarom? Die Farizeeër, die een tiende van zijn inkomen weggeeft, is toch iemand om respect voor de hebben, en die tollenaar, die voor de Romeinen belasting int en daarbij de mensen besteelt. Is toch verachtelijk? Dat is allemaal waar, maar Jezus kijkt naar de houding van een mens tegenover God: de Farizeeër heeft tegenover God een hoge dunk van zichzelf, de tollenaar heeft tegenover God géén hoge dunk van zichzelf, en daar komt het op aan.

Hoe diep de behoefte zit om aan de goede kant te staan, blijkt uit de verdere lotgevallen van het verhaal van de Farizeeër en de tollenaar. Er werd in de kerk over gepreekt, en iedereen begreep natuurlijk algauw dat de tollenaar goed zat, en de Farizeeër niet. Dus schoof iedereen naar het hoekje van de tollenaar, zei: “O God, wees mij, zondaar, genadig!” en dacht: met mij is het wel in orde. Het werd zelfs zo, dat men dacht bij God in een zéér goed blaadje te komen door met veel omhaal van woorden, heftig schuld te belijden, en de Farizeeërs werden degenen op wie men neerkeek. In onze taal is Farizeeër dan ook een ander woord voor huichelaar geworden. Als Jezus het verhaal in onze tijd zou vertellen, zou er misschien iemand in voorkomen die naar de kerk ging en bad: “O God, ik dank U dat ik tenminste een zondaar ben, en niet zo`n vuile Farizeeër!”

Op wie lijken we zelf het meest: op de Farizeeër of op de tollenaar? Hoe diep de behoefte zit om tegenover God aan de goede kant te staan, blijkt uit wat er met het verhaal van de Farizeeër en de tollenaar is gebeurd. Ik meen dan ook dat de Farizeeër in ons zit, en dat hij altijd weer nieuwe manieren weet te bedenken om duidelijk te maken dat we aan de goede kant staan. Als dat waar is, moet het leven van iemand die in God gelooft voortdurend in beweging zijn: het is steeds zaak de Farizeeër in jezelf achter te laten, en op weg te gaan naar de plaats van de tollenaar. Is die plaats er dan? Ja, je laat je door God zeggen dat die plaats er is (je mag ook wel een keer zeggen: “O God, wees mij, Farizeeër, genadig!”), en op die plaats leer je Gods barmhartigheid kennen”.

J.A.H. Jongkind.

© Nederlands Hervormde Gemeente Brandwijk 2019 Inloggen