Ik dank de scriba en de andere kerkenraadsleden hartelijk voor de waarneming in mijn vakantie. Iedereen is alweer druk met de plannen voor de komende winter. Alles heeft zo zijn tijd. Wij bidden, dat wij allemaal met moed en geloof de kerkelijke taak die op ons wacht, mogen vervullen. Ook het kleinste is groot als we het met liefde voor onze hemelse Vader verrichten mogen. We denken ook aan de leraren en de leraressen en de leerlingen van de scholen. Als we weer op het appel moeten verschijnen, gaat dat altijd met een zekere spanning gepaard. Wij bidden, dat de spanning van ons afgenomen zal worden en wij door de trouwe God zullen worden geleid. In de vakantie las ik de biografie van dr. Enny de Bruin over Jacob Revius (1586-1658): “Eerst de waarheid, dan de vrede”. Op blz. 247 vond ik een fragment van een gedicht van deze dominee-dichter dat mij wel wat leek voor na de vakantie. Ik geef het graag aan u door.

“Wat batet veel gereyst in landen wijt-gelegen
Soo gij niet in en gaet des Heeren smalle wegen?
Wat batet het te besien soo menig schoone stat
Soo gij het hemelrijck int herte niet bevat?”

Zo dicht aan het Avondmaal zat ik te denken, dat de kerk en de kerkgang voor ons in een toenemende mate een van de vele dingen lijkt te worden die ons bezig houden, maar dat het niet het enige is. Dat komt… Ja, dat komt door duizend ingewikkelde dingen die wij niet tot in hun diepte peilen. Maar het komt vooral omdat het leven, naar wij denken, om onszelf draait. Maar zo dreigen wij in de vele, vele dingen van dit ingewikkelde leven te verdwalen. Al dat vele moest ons maar uit handen worden genomen, zodat wij de enige troost in leven en in sterven overhouden en wij niemand zien dan Christus alleen. “Een ding heb ik van de Heere verlangd, dat zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heere, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heere te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel” (Ps.27:4). Met een vriendelijke groet,
uw ds. J.A.H. Jongkind.