“Ziet, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; weest dan voorzichtig gelijk de slangen en oprecht gelijk de duiven” (Mattheüs 10:16).

Ik vind dit een spannende tekst. Het valt meteen op, dat er in totaal vier dieren in zomaar een, niet eens zo lange, zin worden genoemd. Want over schapen en wolven en ook over slangen en duiven gaat het. Maar dit woord is niet alleen maar spannend, maar het is ook heel bekend. Het is echt zo`n woord, dat je als “spreuk van de dag” zou aan kunnen treffen in de agenda van de fabrieksdirecteur. En die zou dan van die spreuk kunnen zeggen: “Nou, daar zit wel wat in”.

Maar dit is in feite helemaal geen algemene waarheid en geen woord voor directeuren; maar het is een woord voor de discipelen van Christus, die het zwaar te verduren hebben in het leed dat men hen aandoet. Nee, zij doen het lijden van de Heere Jezus niet over; maar zij krijgen er wel wat van mee. Het is zelfs zo, dat je er, als je het in de wereld niet zwaar hebt, aan moet twijfelen of je wel bij Jezus behoort. Deze tekst riep tot voor kort een verkeerd beeld bij mij op. Ik stelde me er een kudde van vele schapen bij voor; en een paar wolven veroorzaakten in mijn beleving een geweldige paniek onder hen. Maar hier staat, dat er maar een klein aantal schapen tussen een heleboel wolven verkeert. Discipel zijn is dus heel gevaarlijk. En hoe houd je het in dat gevaar uit? Het antwoord is: “Door voorzichtig te zijn als een slang en oprecht als een duif”. In de wat nieuwere vertalingen van de bijbel wordt het meestal iets anders verwoord. Die leggen het wat meer uit. “Weest dan scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif”, wordt het dan. Dan voert het dus de boventoon, dat je onschuldig als een duif bent. Maar dat je daarbij ook zo scherpzinnig als een slang bent. Dat is ook de bedoeling van de tekst wel. En dat ligt ook door de hele bijbel heen. Dat we vooral oprecht moeten zijn. Maar in de Statenvertaling blijft het toch wat prikkelender naast elkaar staan. En dan komt toch duidelijker uit, dat je en het een en het ander moet zijn. Slangen vinden wij maar griezelige beesten. Als er iemand slangen houdt, vinden wij, dat hij niet goed bij zijn hoofd is. Maar wij laten duiven los met een bruiloft. En wij willen met een duif wel vergeleken worden, maar niet met een slang. Maar wij kunnen van de slangen toch wat leren. Zo voorzichtig als de slangen moeten wij zijn. in Genesis 3 gaat het al over een slang. En die heet daar “listig”. Wij duiden dat, omdat wij weten hoe het afliep, vooral negatief. Maar dat “listig” (aangezien we aan het begin van dat hoofdstuk nog in het Paradijs zijn) betekent niet meer en niet minder dan “slim”. Wijs, alert, paraat en slagvaardig moeten wij zijn. Wij moeten niet slaperig zijn. Maar wij moeten helder zijn en met onze beide benen op de grond staan. Maar wij moeten ook zo oprecht en eenvoudig en vertederend als een duif zijn. Nu zijn er in het leven “slangenmensen” en “duivenmensen”. Dan is onder de zonen van Jakob iemand die een slangenmens is. In Gen.49:16 en 17 lezen we dat. Dan is iemand die je er in laat lopen. En die macht over je uitoefenen wil. En die je bedriegt. En het staat nooit in de krant wat hij doet. Maar het zijn de kleine valsigheden en gluiperigheden die je niet goed weet een naam te geven. Dan doet wel “open”, maar hij is het niet echt. En hij denkt ook zelf, dat hij een edel mens is. Hij heeft zelfs geen vermoeden van hoe slecht dat hij is. “Dan zal een slang zijn aan de weg; een adderslang nevens het pad”. Maar er zijn ook duivenmensen. Gad is onder de zonen van Jakob (en dus in de gemeente) iemand die een duivenmens is. Trouwhartig pakt hij aan wat hij aan moet pakken. Hij is kwetsbaar. En heel eenzaam. Maar toch is hij moedig. In Gen.49:19 lezen we dat: “Aangaande Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde”. Maar het spannende zit `m vooral in de combinatie. Zo`n schaap te midden van de wolven moet zowel een slangenmens als een duivenmens zijn. En de bezwaren van de eenzijdigheid vallen dan weg. Want wij moeten niet al te zeer over ons heen laten lopen. En wij moeten nog veel minder slinks en sluw ons eigen voordeel dienen. Weet u wie zowel een slangenmens als een duivenmens was? Onze Heere, Jezus Christus! Christus wist het kwaad van de mensen te peilen zoals niemand dat kon. Hij keek dwars door alle schijnheiligheid heen. Maar Hij was ook een duif. En die het niet “wint”, maar die het verliest. En die duldt en die draagt en die lijdt. Een schaap was Hij onder de wolven. En men heeft Hem verscheurd. Maar Hij was ook het Lam, dat als de Leeuw uit Juda`s stam overwon. En dat maakt ons, als we geloven, volhardend en sterk! En dan zijn we niet de ene dag een slangenmens en de andere dag een duivenmens. Maar dan zijn we het allebei elke dag.

Brandwijk J.A.H. Jongkind