“Wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met de Geest.”

(Efeze 5:18).

Onze punten zijn:

1. De verzoeking van de wijn.

2. De verzoening door de Heere Jezus Christus.

3. De vervulling met de Heilige Geest.

1. Als men van iemand zegt, dat hij “drinkt”, heeft dat een onheilspellende klank. Want dan gaat het niet om limonade, maar dan is er sprake van sterke drank. En er komt iets geheimzinnigs over een huis te liggen waar dat in speelt. Een kind durft geen vriendjes mee naar huis te nemen om te spelen; want het weet niet wat vader, als hij heeft gedronken, zal zeggen of doen. In de Bijbel wordt niet zelden in een positieve zin gesproken over de wijn. Want het is de wijn, die het hart van God en de mensen verheugt. En Paulus is een geestelijk man en vervalt niet in een zweverig rigorisme. Maar de Bijbel ziet ook de gevaren van de wijn wel heel scherp. En wat wordt er tegenwoordig niet gedronken! Wat zou daar de oorzaak van zijn? Dat is om er “bij” te behoren. Maar je bent voor jezelf op de vlucht. In “Peelwerkers” van Coolen leest u hoe ene Piet zich bedrinkt. “Het vocht voelt koud tegen de lippen aan, de geur stijgt in de neus…….Dan doordringt het heel zijn wezen. Het vloeit naar alle kanten uit. Het komt tot ergens in de punt van zijn hersens en vloeit daar uiteen. Met een stom instinct zit Piet er van te genieten.” Wie behoorlijk heeft gedronken, is eerst heel erg flink; maar hij komt zichzelf algauw toch weer tegen. Nu is het zo, dat met “wijn” niet alleen de letterlijke wijn wordt bedoeld. Maar dat zijn ook de pretjes, waar we ons zoet mee houden en waar geen einde aan komt. Denk maar aan de verloren zoon, die naar het woord van Christus, overdadig leefde. Wie “drinkt”, vergeet zijn tijdelijk en eeuwig belang. Maar er zit nog een kant aan dit woord. Overal in de wereld van Paulus had de roes ook te maken met de godsdienst. Denk maar aan Bacchus, de god van de wijn. Een scherpe toepassing is dat: Maar Paulus is een tegenstander van een opgezweepte opgewektheid in het geestelijke leven, die nergens toe leidt. En niet ieder opwekkingslied is verkeerd, maar dat “roezige” moet het in de kerk niet worden. En de enige remedie is het zinnetje: “Wordt vervuld met de Geest.” Want dan is er gloed en leven.

2. Zien wij onze schuld? Wij hebben schuld, als wij geld voor drank aan het huishouden onttrekken en als onze kinderen, als wij drinken, bang voor ons zijn. Wij hebben schuld, als wij door de drank en het ritme van de muziek ons laten verdoven onder een daverend en geweldig lawaai. (Want dan kun je niet meer denken aan God). En wij hebben schuld, als wij ook als ouderen voor de weelde leven. Maar wie hier verdrietig om is, mag ik wijzen op de Heere Jezus Christus, die de donkerte van het leven recht is aan blijven kijken en die aan het kruis de verdovende drank weigerde. Een “Wijnzuiper” had men Hem spottend genoemd. Maar dat is een gruwelijk tergen van de edele Man van smarten geweest. Want zijn leven was geen roes, maar een kruis. Het was zijn eten en drinken om de wil van zijn Vader te doen. En wij zien Hem aan het kruis waar Hij de beker van de toorn van God over de zonde leeg drinkt, teug na teug, tot op de bodem. En Hij weigert het pijnstillend middel van de gemirre-de wijn. Je zou zeggen: “Jezus, drink toch. Want het zal onhoudbaar worden. Kijk maar, de spijkers liggen al voor U klaar.” En het was zo heet. En Hij had zo`n dorst. Maar Hij zei: “Nee.” Dat was om zijn Vader tot het einde toe gehoorzaam te zijn. En dat was om zijn volk tot het einde toe te dienen. Als Jezus toch eens weggevlucht was. Dan was er voor ons geen verzoening geweest. Als een priester in de oude tijd, als hij in de tempel dienst deed, ook maar iets had gedronken, werd hij op staande voet ontslagen. En Christus was de grote Hogepriester. Dus het kwam er op aan. Maar Hij heeft met ere en nuchter zijn dienstwerk gedaan. Als wij nog in de roes van de zonde leven, is er één weg. Dat is de weg van achter Hem te schuilen.

3. Wij kunnen de dingen van het leven vaak niet de baas. Wij zoeken naar vergetelheid en warmte. Maar het leven blijft hetzelfde grauwe leven. En in de kerk, soms, even, ben je geraakt. Maar het nieuwe leven brak toch niet door. Het bleef in de geboorte steken. Dat komt, omdat wij de vergeving bij de Heere niet zoeken en niet vluchten tot Hem. Dit woord is een ernstige oproep en een belofte: “Wordt vervuld met de Geest.” “Vol zijn van” is “Beheerst worden door.” En dat gaat bij geen twee mensen gelijk. Maar dit is altijd wel gelijk: Dat de Geest komt wonen, niet waar het al vol is, maar in een leeg hart. Wij behoeven er niet goed genoeg voor te zijn. Maar de Geest komt op het vlees. En dat staat voor “zondige mensen”. Want vlees is in de Bijbel de mens op z`n smalst. De Geest maakt armen rijk met Christus. En Gods kinderen zullen straks de beker der verlossingen drinken in zijn koninkrijk.

Brandwijk, J.A.H. Jongkind