Enige kanttekeningen bij vraag en antwoord 49 van de Heidelberger catechismus.

“Ten eerste, dat Hij in de hemel voor het aangezicht van Zijn Vader onze Voorspreker is”.

Wat doet die Voorspreker? Wat heeft Hij als taak? Wij zijn zelf ook mensen die goed van de tongriem zijn gesneden. Je moet wel. Je moet assertief zijn. Dus de vraag is of er wel werk voor zo`n Voorspreker is. Is er eigenlijk wel iemand nodig die het voor ons opneemt en die ons verdedigt? Maar dat is toch wel zo. Christus is de Voorspreker bij uitstek. Hij is onze Pleitbezorger. Om de grootte en de waarde van Zijn offer kan Hij dat ook zijn. Hij heeft in de hemel recht van spreken. Christus is onze Voorspraak Hij zit in de troon om ons vrij te pleiten. Hij bidt voor Zijn strijdende kerk. In de hitte zitten wij van de beproeving. Van het ene op het andere moment komt ons die beproeving overvallen. Maar de Heere Jezus bidt, dat wij daarin staande blijven. Of dat wij, net zoals Petrus, toen hij Jezus had verloochend, weer tot inkeer komen. Dat geldt nog wat Jezus toen gezegd heeft: “Maar Ik heb voor u gebeden!” Dat is Jezus` voorsprekende werk. Jezus is betrokken op hoe het gaat met Zijn volk. Hij bidt ook voor ons wanneer wij in de war zijn of als wij versuft zijn door de medicijnen. Nooit is er een ogenblik, dat Hij niet voor ons bidt. Als je jong bent, ben je je die behoefte aan troost meestal niet bewust. Heel je leven heb je dan nog voor je. Dus dat “loopt” wel. Maar er komt een dag, dat je over de dingen dieper na gaat denken. Op een goed moment leg je wat er van je is terecht gekomen naast wat God van je vraagt. Dan is het geweldig troostvol als de Heere Jezus je Voorbidder is.

“Ten andere, dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als ons Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot zich zal nemen”.

In een menselijke, lichamelijke gedaante ging de Heere Jezus toen Hij opgevaren is de hemel binnen. Maar dat is alleen nog maar het uitgangspunt in dit tweede deel van het antwoord. Maar dit tweede deel van het antwoord zegt iets anders. Het zegt, dat wij (!) ons vlees in de hemel hebben. Ons vlees is daar ook. Zou dat ons vrome vlees zijn? Maar dat is niet zo. Ons gewone vlees, ons gewone lichaam, waar wij zo heel veel vaak mee te stellen hebben, wordt in deze zin bedoeld met dat vlees. “Vlees” is ook, dat wij op de zonde uit zijn. En dat wij zo aardsgezind zijn. “Vlees” is de mens op z`n smalst; de maar “miezerige”, zondige mens. Maar nu zijn wij met de Heere Jezus ook al in de hemel. Jezus is in Zijn menselijke gedaante in de hemel. En ons neemt Hij eenmaal tot zich. In principe zijn wij daar zelfs ook al. Christus is de hemel niet als Enige binnengegaan; maar als Eerste. Niet heeft Hij de deur achter zich dicht getrokken. Maar Hij liet die voor ons open. Komen wij in de hemel omdat wij zo vast geloven? Nee, in Christus komen wij er. En wij zijn er ook al. Wij zijn mede levend gemaakt met Christus. Wij zijn met Hem in de hemel gezet. Zo beleeft het geloof de eenheid met Christus. Christus` lichaam in de hemel is de waarborg van dat wij daar ook eens zullen zijn.

“Ten derde, dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken dat daar boven is, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is”.

Dus ons lichaam is al met de Heere Jezus als een garantiebewijs in de hemel. Maar nu is het zo, dat Hij ons ook een tegenpand zendt. Vergelijk dat maar met twee verlovingsringen. De ene ring is het pand, terwijl de andere ring het tegenpand is. Zo is ook ons lichaam of ons vlees het pand, dat wij met Christus in de hemel hebben. En het tegenpand is de Heilige Geest. Weet u wat die Geest doet? U en mij laat Hij dat wat boven is zoeken. Dat betekent, dat Hij ons Christus doet zoeken. Dat betekent, dat hij ons naar Christus toe trekt en met Christus tevreden doet zijn. Zonder de Heilige Geest gaan wij helemaal op in ons plezier en ons werk en in alles wat zonder Christus ons leven uitmaakt. Wat is wat uw leven uitmaakt? Dat is niet zo hoogstaand, denk ik, wat wij daar nu in de stilte van ons hart aan God ten antwoord op geven. Dat is goed, dat niemand dat kan horen dan alleen Hij. Maar u mag het weten, dat God, in de Heere Jezus Christus als een echte Vriend is. Hij weet alles van ons, maar veracht ons toch niet. Maar nu maakt Gods Geest onze oriëntatie een andere oriëntatie. Niet wat tijdelijk is en van beneden gaan wij meer zoeken, maar wat boven is gaan wij zoeken. Naar  waar Christus is gaan wij zoeken, ter rechterhand Gods. U moet niet bij “boven” trouwens aan een vluchten in de bovenaardse dingen denken. Maar u met bij “boven” denken aan een leven, dat van Christus afhangt. Het is schuilen bij de Heere Jezus, die ons Hoofd is!

Brandwijk, J.A.H. Jongkind