(N.a.v. Gen.38:26: “Zij staat in haar recht, meer dan ik”).

Juda buigt het hoofd. Maar het is wel ongelooflijk wat er dan al is gepasseerd. Tamar is de schoondochter van Juda geworden. Maar Er, haar man, gaat kinderloos heen. Maar de tweede, Onan, die nu volgens het gestelde recht een kind voor Er bij haar moet verwekken, zorgt er voor, dat dat niet gebeurt. Vroeger vonden wij dat pikant. Maar dat is gewoon de manier waarop de Bijbel met veel nuchterheid spreekt. Maar God neemt dat niet. Niet dat hij dat doet, maar waarom hij dat doet. Haar wordt groot onrecht gedaan. Tamar staat nu met lege handen. Maar zij verzint er iets op. Ze doet een vrijpostige jurk aan en vermomt zich als hoer. Ze weet haar schoonvader aan zich te binden als het scheerderfeest erg “los” wordt. Juda heeft de prijs er niet voor bij zich. Zij zegt listig: “Geef mij uw snoer en ring en staf als een pand”. Dat is drie keer hij zelf. Dat is net zoiets als dat je iemands trouwring of paspoort tot een pand neemt. Later komt de aap uit de mouw. Juda zegt: “Zij moet sterven!” De moralist is altijd heel precies op een ander en blijft zelf buiten schot. Maar wanneer zij op het punt staat om verbrand te worden, haalt ze het snoer, de ring en de staf voor de dag. Dat wijst Juda als de grote schuldige aan. De commentaren zeggen: “Mocht het zo wel?” Maar je vindt maar nauwelijks een spoor van deze kwestie in de Bijbel. U en ik moeten Tamar niet netter willen hebben dan de Bijbel. Dat is farizeïstisch. Deze en niet een andere Tamar heeft in de Bijbel een bijzondere plaats. Deze Tamar is het die van Jezus een van de voormoeders is.

 

In zeven punten laten wij ten slotte iets oplichten van Tamars geloof.

1.Met haar nood gaat Tamar naar God. Tamar is een vrouw die een weduwe zonder kinderen is. In de tijd van toen was je dan te beklagen. Waar moest je naar toe? Niemand was er die het opnam voor je. Dat zegt u misschien ook: “Het leven is niet eerlijk”. Dat is het ook niet. Tamar is een heiden, maar zij is die God gaan kennen die de zwakken recht doet. Met haar nood is ze tot de Heere gevlucht. Vluchten vinden wij niet iets vleiends. Maar de Bijbel vindt dat niet laf. “Zalig hij die in dit leven Jakobs God ter hulpe heeft, Hij die, door de nood gedreven, zich tot Hem om troost begeeft” (Ps.146:3; berijmd). Dat is ook voor ons een aansporing om te vluchten tot het bloed, de wonden, de gerechtigheid en de liefde en de genade van de Heere Jezus Christus. Nergens is het veilig dan alleen maar bij Hem.

2.Zij gaat af op Gods Woord. In het Woord staat, dat het zwagerhuwelijk door God ingesteld is om een weduwe als vangnet te dienen. Donker zijn misschien ook onze dagen. Moeilijk is misschien ook wel ons leven. Daar weet niemand zomaar eenvoudig iets op. God lost ook niet zomaar elke moeilijkheid op. Maar wij weten wel, dat God ons onderweg Zijn Woord als een belofte meegeeft. Zijn belofte is ook niet alleen maar een belofte, maar die is ook een recht. Een genaderecht, niet een verdiend recht, maar daarom nog niet minder een recht. Want dit is het recht van rechteloze en gebroken mensen.

3.Zij kiest voor Gods volk. Als een vreemdeling bevond zich Tamar in de clan van Juda. Tamar was inmiddels, nadat Onan was gestorven, ook weer bij haars vaders stam gaan wonen. Daar had Juda sterk op aangehouden. Ze zullen daar met recht wel hebben geschamperd: “Mooie lui zijn dat daar!” Wat er in het geloof niet te pas komt, ziet de wereld vaak heel helder. Maar de wonderlijk dappere Tamar kiest toch voor Gods volk. Alles heeft ze ervoor over om een plaatsje te krijgen onder hen die bij Juda horen. “Uw volk is mijn volk” (vgl. Ruth 1:16). Dat is niet een volk waar ze door in de watten gelegd is, maar waarvoor ze toch kiest.

4.Misschien vindt u dit punt wat een “gezocht” punt. Maar hoe langer ik er over nadacht, hoe aannemelijker dat het mij werd. Tamar was niet zomaar nadat zij een kind, naar zij hoopte, van Juda zou krijgen tevreden, maar zij vroeg om een teken daarbij. Naar een teken waar zij al van wist: “Dat zal ik nodig hebben”. Dat “slimme” pand is alles wat de identiteit van Juda uitmaakt. Onze sacramenten zijn een teken van wat Christus aan ons belooft. Laat het maar eens doordringen tot u, dat het brood, de wijn en het water helemaal bij Jezus zoals Hij zich voor ons heeft gegeven horen. In die tekenen bezitten wij Hem zelf. Hij laat zich er door dwingen ons genadig te zijn.

5.Het geloof van Tamar is, dat zij vindingrijk is en ondernemend Zij zet alles op alles. Het geloof maakt ons niet activistisch, maar wel vindingrijk.

6. Zij wordt van haar zonde vrijgesproken. “Zij staat in haar recht, meer dan ik”.

7.God zet Tamar een kroon op het hoofd. Tamar krijgt een dubbele zegen als zij na verloop van tijd twee kinderen baart. Zij wilde er een, maar het werden er twee!

 

“Zij staat in haar echt, meer dan ik”. Verneder u en heb vrede; want God is zeer goed!

 

Brandwijk J.A.H. Jongkind