Zo verklaarde hij haar zijn ganse hart, en zeide tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een Nazireeër Gods van mijn moeders buik af; indien ik geschoren werd, zo zou mijn kracht van mij wijken, en ik zou zwak worden, en wezen als alle mensen.

(Richteren 16:17)

De punten van de overdenking zijn:

  1. Hij speelt met de zonde.
  2. Hij verraadt zijn geheim.
  3. Hij stort in een diepe afgrond.


1.We ontmoeten hier een knecht van God die speelt met de zonde. En we schrikken er van. Een ingewikkeld leven is het leven van Simson geweest. En hij moet wel heel erg moe zijn geworden van de strijd tussen de Geest van de Heere die hem al vroeg begon te drijven en zijn eigen geest die daar tegenin gaat. Hij nam wel zijn ambt waar, dat hem toevertrouwd werd. Het is pertinent niet waar, dat hij daar niet naar omkeek. Maar hij heeft niet overeenkomstig de heiligheid van zijn roeping geleefd. Het leven van Simson vloekt met het ambt dat hij draagt. En soms huilen we om Simson, omdat hij op ons lijkt. Want wij willen Jezus volgen en genieten van de zonde. En de ingebeelde machteloosheid sluipt binnen bij ons. We gaan ons steeds schuldiger voelen. En genieten doen we dan ook van de zonde niet meer. Simson is een eenzaam en wat scheefgegroeid mens. Je ziet hem niet alleen heel zijn leven naar de omgang met allerlei vrouwen zoeken; maar hij vlucht er ook in. Simsons leven was een dubbelleven. Er werd algauw over gefluisterd, dat hij in het dal van Sorek bij een vrouw kwam. En het duurt niet lang of de vorsten van de Filistijnen dienen bij Delila zich aan. “Wat woont u hier mooi, Delila, zo kort aan de beek. Is het trouwens waar, dat u hier Simson ontvangt? En dat staat u vrij natuurlijk. Maar het is aan de andere kant ook weer zo.…Wij doen u een voorstel. Er zit wat een risico aan. Wij van onze kant willen dan ook zeker…. Elfhonderd zilverlingen; wat vindt u daarvan?” En het is haar vak om lief te zijn. Maar het is ook haar vak om onbetrouwbaar te zijn. Dat is haar leven. Want “ze zit in het vak”. “Ik vind je geweldig”, zegt ze tegen Simson, “En jij bent zo sterk. Waar komt jouw kracht toch vandaan? En wat zou er moeten gebeuren om jou niet meer zo sterk te doen zijn?” En wij denken: “O Simson, kijk uit!” En dan verzint hij in eerste en tweede instantie een vochtige-touwen- en een verse-pezen-verhaal. En vervolgens horen we hem zeggen: “Als je de zeven vlechten van mijn hoofd in de schering van je weefgetouw zou weven, zou ik net zoals ieder ander mens zijn”. En al is hij er nu heel dichtbij om zijn geheim te verraden; God spaart hem toch nog. En het hele weefgetouw rukt hij om.

2. Hij verraadt zijn geheim. Wat was zijn geheim? Zijn geheim was, dat hij een knecht van God was. “Moeder”, had hij als kind vaak geroepen, “Mijn haar wordt zo lang!” En dan zei ze: “Ja, dat zie ik wel; maar je mag het niet laten knippen; want een speciale knecht van God moet jij zijn”. En dan vertelde ze voor de zoveelste keer van de engel. En dan was het weer goed. Hebben wij met God ook een geheim? Misschien is uw belijdenis of uw doop uw geheim. Want dan is uw geheim het woord van de Heere: “Jij bent van Mij!” En dat is het liefste en het mooiste van heel uw bezit. Maar Delila zegt: “Je wilt me toch niet vertellen, dat je echt van me houdt? Want je blijft op een afstand van me. Je wilt je geheim niet delen met me”. En nu is hij murw. Zijn weerstand is op. En hij is nu zo ver op de weg van de zonde gekomen, dat hij niet meer terug kan. En dan zwicht hij. En de hemel houdt de adem in, als hij zijn geheim aan Delila vertelt. En Delila (want het is haar vak) heeft het spel van de liefde met Simson gespeeld. En op haar schoot slaapt hij in. En dan wenkt ze een knecht die hem zijn zeven lokken afscheert. En de Heere heeft Simson verlaten op het moment, dat zijn haar werd geknipt. Nee, je weet nooit wanneer het geduld van God ophoudt, als we maar blijven doorzondigen; maar het houdt een keer op.

3. Niemand speelt er ongestraft met zijn roeping. En ook niemand verraadt ongestraft zijn geheim. O, wat liep het met Simson slecht af. De Filistijnen bonden Simson. En zijn ogen groeven ze uit. En ze lieten hem in de gevangenis in de molen malen als een lastdier. “O, o Simson; wat is er gebeurd?” Jezus zal later zeggen: “Mijn juk is zacht”. Maar dit juk is zo hard. En dat is een ernstige les. Want dat is heel gevaarlijk, als je speelt met de genade en met je geheim. En denk niet, dat de teerheid van toen u de Heere leerde kennen, later wel een beetje minderen kan. Want de vijand is sterk. En als God met ons nog eens zou doen naar wat we verdienen, zouden er weinig mensen met ziende ogen meer zijn. Denkt u wel eens na over welke zonde, als de hemel zwijgt in uw leven, er u in de weg staat? Want God laat niet toe, dat u aan de ene kant Hem zoekt en aan de andere kant Hem verraadt. Maar Hij zegt: “Bekeer u!” En dan is het het geloof dat ons redt, als we tegen de Heere Jezus zeggen: “O Verlosser van verliezers; in Adam hebben wij het al verloren; en we verliezen het nog iedere dag. Maar haal Gij mij, Sterkste aller sterken, uit het moeras!”

Brandwijk, J.A.H. Jongkind