Een lied Hammaälôth

Ps.126 is bekend en geliefd. Maar dat wil niet zeggen, dat dit een gemakkelijke psalm is. Het “schuurt” vooral rond het punt of de mensen over wie het hier gaat nu al wel of nog niet zijn bevrijd. In vers 1 leest u, dat God de gevangenen terug heeft doen keren. Maar in vers 4 wordt er toch weer gebeden: “Breng ons terug!” Dus dat lijkt niet te kloppen.

Deze zaaier moet een van de Judese ballingen in Babylon zijn. Zeventig jaar geleden was er een bovenlaag van de mensen van Jeruzalem op transport gesteld naar Babel. God strafte Zijn volk. Maar niet zonder medelijden. Eens zou het weer naar het oude land teruggaan. Met het aantreden van koning Kores is dat ook gebeurd. God was goed. Het geluk van de mensen was te groot voor hun hart. Dat viel zelfs de heidenen op. Israël trok weer op naar het land van melk en honing.

Maar het blijkt niet zo licht als ze hadden gedacht. In Kanaän viel het tegen. Ze waren maar met een restant. Velen waren er in Babel gebleven. En de stad was verwoest. De blijdschap verstomde. Ze leken wel weer een slaaf. De eerst juichende balling zien we als een huilende zaaier al zaaiende gaan. Soms valt ons het latere van ons leven ook tegen. Je bent blij met je diploma; maar er is vervolgens geen werk. Of je kreeg weer een man; maar dan word je ziek. Deze psalm gaat over de dromen van ons, mensen, die nogal eens de grond in worden geboord. Wat een feest leek, is een nachtmerrie geworden. Maar hoe moet je daar mee omgaan? Het is duidelijk, dat het dit lied draait om wat je noemt geloof en vertrouwen. Deze psalm bidt: “Laat ons weer geloven. Laat het donkere het niet winnen. Laat ons niet verdrinken in onze angst. Heere, breng een omkeer in onze gevangenschap, zoals waterstromen in het zuiden”.

Als je vertrouwt, waar vertrouw je dan op? Dan vertrouw je niet op: “Het komt wel weer goed”. Want dat weten we niet. Maar vertrouwen is in de Bijbel vertrouwen op God. Vertrouwen is met al je ontgoocheling naar Hem toe te gaan. “Heere, breng een omkeer in onze gevangenschap, zoals waterstromen in het zuiden”. Het zuiden (de Nègev)  is een eindeloos dor gebied. Het is een woestijn. Je zit daar dichtbij de dood. Maar wanneer er eenmaal regen valt in de woestijn vullen zich de droge beddingen met water. Een groen waas van vruchtbaarheid ligt er over het land. Nee, die beddingen kunnen niet voor dat gezegende water zorgen. Maar die vangen het water wel op. Levenslust en vertrouwen kun je jezelf niet geven. Maar God geeft dat aan ons. Ps.126 is een gebed. Wie bidt, zit niet bij de pakken neer. God geeft hem weer moed. Dat gaat niet vanzelf. Ons verlangen staat soms op de nul. Maar als God ons door het geloof vleugels aandoet, blijven we niet stil zitten te treuren. Maar we staan uit onze zorgen weer op. Als God werkt, slaat de tegenslag ons niet lam. Net als in Ps.42 is het dan met je: “`k Zal Zijn lof, zelfs in de nacht, zingen, daar ik Hem verwacht”.

“Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende”. Mooier dan zo kan vers 6 niet worden vertaald. In die woorden zie je de huilende zaaier, al gaande, gaan. Je hoort zijn slepende tred. Maar al gaat het moeizaam, het gaat. Wij moeten, maar wij kunnen ook doorgaan in dit moeilijke, maar ook mooie leven dat God aan ons geeft. Dat is niet zonder strijd. Laat er niemand ooit zeggen, dat vertrouwen gemakkelijk is. Men zegt wel eens: “Je hebt je geloof toch?” Maar dat zeggen meestal de mensen die maar weinig in hun leven mee hebben gemaakt. Dat is niet eerlijk om te zeggen: “Als je gelooft, moet je rust hebben en vrede. Maar wanneer je wel eens twijfelt, heb je een geloof dat niet goed genoeg is”. Ook de tobberige mensen rekent God er graag bij. Juist voor zulke mensen schreef de dichter deze juichende psalm. Maar die zaaier huilt wel. Stelt u zich bij dat wenende zaaien maar een man voor die in een periode van schaarste nog een zakje zaaizaad van koren ergens op een droog plekje heeft staan. Hij kan er twee dingen mee doen. Hij kan het tot meel vermalen en er brood van bakken. Dan heeft hij voor een dag of wat nog te eten. Maar hij kan het ook wegwerpen en het in de aarde strooien en dan hopen, dat het opkomt. Een zware keuze is dat. Maar hij doet dat laatste. Al gaande werpt hij zijn laatste zekerheid weg. U begrijpt dat huilen ook wel. Wie van de gelovigen is er die niet wel eens om de ontrouw van de mensen en om hun lichtzinnigheid huilt? Maar die zaaier laat zijn zekerheden los en zijn dromen; en zijn toekomst legt hij in Gods hand. Maar er is ook een belofte. “Hij zal zeker terugkomen met gejuich en zijn schoven dragen”.

Maar nu zijn wij in deze psalm niet alleen maar die huilende zaaier. Maar vooral Jezus is dat. Jezus huilde om Jeruzalem. En Hij huilde om ons. Hij gaf ook zichzelf prijs. Maar daarna stond Hij op. Toen is het nog meer waar geworden dan toen Israël uit Babel is teruggekomen: “Toen werd onze mond vervuld met lachen en onze tong met gejuich!”

 

Brandwijk

J.A.H. Jongkind