Onze punten zijn:

  1. Zijn grote verzoeking
  2. Zijn sterke wapen
  3. Zijn aanhoudende strijd

1. Op de markt van de slaven had men Jozefs tanden bekeken, alsof hij een dier was waarvan men de ouderdom schat. En hij was in de handen van de voorname Potifar overgegaan. Maar het was in zijn donkerheid toch een beetje licht geworden. Hij kwam in een verantwoordelijke positie te staan. “En de Heere was met hem.” Alles wat hij aanraakte, leek wel van goud te worden. Potifar stelde hem over al zijn zaken. Maar algauw ging de zon van de voorspoed schuil achter het zwart van een grote verzoeking. We lezen, dat Jozef schoon van aangezicht was. Hij was een mooie jongen. “Mooi” is in de bijbel niet alleen maar lichamelijk mooi; maar “mooi” is altijd ook “iets van God”. Ook de mooie Mozes en de mooie David waren als bijzondere redders aan de mensen door de Heere God gegeven. Maar “mooi” is hier ook letterlijk mooi. En zijn meesteres was zich daar zeer van bewust. Voorzichtig trok ze Jozef steeds meer naar zich toe. En tenslotte komt het sluimerende verlangen tot een uitgesproken verzoek: “Lig bij mij!” Die vrouw doet een beroep op de driften, die in ieder mens sluimeren. Ook in Jozef. En is dit niet een gelegenheid voor hem om in zijn eenzaam leven toch ook wat te “hebben”?! Maar de lichten springen bij hem op rood. Hij weigert het bevel van zijn hoge mevrouw. Niet omdat hij nog een “groentje” is, maar omdat hij tegen God niet zondigen wil. Hij geeft aan het vervagen van de grenzen niet toe. Onze tijd is een gevaarlijke tijd. Vele prikkels willen ons verleiden tot de zonde. En men zegt: “Je leeft maar één keer!” maar dat is het ‘m juist. Straks eist God, dat wij van ons ene leven verantwoording doen. Wat “men” ook vindt; je mag elkaar pas helemaal hebben, als je getrouwd bent, aangezien je daarvoor helemaal veilig moet zijn bij elkaar. En twee “ikken” worden nooit een “wij”, als je samen niet een grote discipline betracht. Ik denk ook aan de vuile dingen, die voor heel veel mensen onder handbereik zijn. Is het open internet niet een open riool?! Of “uit je dak gaan” (je hebt daarvoor misschien de hele week vakken gevuld); dat “doet” wat me jou en je ziel. Je vindt niets meer mooi dan alleen dat ene nog maar. Je hebt alles; maar je fixeert je op wat je mist. Maar je vergooit er alles mee. Je tijdelijke rust en de vrede met God.

2. “Hij weigerde het.” Daar ligt in opgesloten, dat hij “Nee” heeft gezegd pas nadat hij een grote strijd had gevoerd. En zijn eigen hoogstaandheid is niet zijn wapen geweest, maar alleen zijn eerbiedige vrezen van God. Voor ons is de zonde niet bang. De catechismus zegt, dat wij niet één ogenblik zelfs kunnen staande blijven. Er is maar één weg; en dat is, dat wij op Christus een beroep doen. “Lieve Heere, ik ben zo zwak; en ik moet mij dikwijls schamen; maar houdt U mij vast.” En dan zijn we aan het goede adres. Hij heeft zelf gehoorzaamheid geleerd uit zijn lijden. Maar Hij is zijn Vader tot in de finesses gehoorzaam geweest. Hij deed heel de wet. Ook het zevende en ook het tiende gebod van de wet. En dat was om onze zondeschuld te kunnen dragen. “Kom, lig bij mij!”, zegt de wereld. En het helpt niet, als u met de wereld in debat gaat. Dat verliest u altijd. Maar u moet uw handen maar leggen in die van de Heere Jezus. Dan hoort u deze troost uit zijn mond: “Vader, zie hier een mens, die het benauwd heeft in de grote verzoeking. En Ik heb hem lief gehad met een eeuwige liefde. Wil hem daarom redden en bewaren.”

3. Toen die vrouw haar zin niet kreeg, heeft ze een grote scène gemaakt. Ze gaf Jozef de schuld. Haar “liefde” blijkt in haat omgeslagen te zijn. Zo is het nu nog. De wereld gaat met ons, zolang wij haar zin doen en haar niet lastig vallen, vriendelijk om. Maar wanneer jij zondags naar de kerk gaat en niet naar een vriendenfeestje, lacht ze je uit. En je ligt er ook uit. Potifar geloofde het misschien helemaal niet. Maar hij moest het wel geloven; anders had hij een nog veel groter probleem. En zo ging voor vele jaren Jozef de gevangenis in. Maar hij stond niet alleen. Als de Heere er niet was geweest, zou Jozef in al zijn smart zijn vergaan. Maar God heeft hem, door de diepte hen, tot de hoogte gebracht. Want het zou weer licht voor Jozef worden. Als u Christus ooit ontmoette, is uw hele leven voortaan een strijd. Maar u mag wel dapper spreken: “Wereld, ik kan u niet binnen laten; want dan gaat de Bruidegom uit mijn hart weg. En ik kan Jezus niet missen. In eeuwigheid niet!” En dat betekent praktisch, dat u ijverig bidt. En met de zonde niet speelt. En uw lichaam bewaart als een huis van Gods Geest. En wanneer uw huis, om zo te zeggen, al in brand staat? Dan zal Christus uit die brand u redden! “Als een vuurbrand gered uit het vuur! “ (Zach.3:2).

Brandwijk, J.A.H. Jongkind