“Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken. Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen en was dienende onder cijns.”

(Gen.49:14 en 15).

Onze aandachtspunten zijn:

  1. De lamlendigheid van Issaschar
  2. De liefde van Christus.
  3. Het leven van Gods ijverige knechten

1. “Issaschar”, “God heeft mij mijn loon gegeven”; zo noemde Lea dit kind. Nu spreekt de bijbel op vele plaatsen over het loon, dat God zijn kinderen geeft. Maar dat is een ander loon dan dit berekende loon. Want dit is een loon, dat de naam loon niet verdient. Zo berekend heeft Issaschar ook geleefd. Hij is boven zijn natuurlijke geboorte niet uitgekomen, zoals ook niet één mens daar zelf bovenuit komt. Bij een ezel denken wij meestal aan “dom”. Maar daar moet u hier juist niet aan denken. De ezel was in het oude Oosten het meest gebruikte rijdier. Een onmisbaar dier. Maar wel een gemakzuchtig dier. Zo zijn typische Issaschar-mensen niet dom. Ze weten op de rechte tijd de rechte middelen te kiezen. Ze zijn zeer verstandig. Maar ze zijn gesteld op hun rust. Ze branden niet graag hun vingers. Ze zijn “lieve” mensen. Maar kom niet aan hen! Deze stam woonde in een vruchtbaar gebied. Het groeide algauw. En als er vijanden kwamen kochten ze de strijd meestal af. Het waren intelligente mensen. Maar je wist nooit goed wat je aan ze had. Leeft Issaschar nog? Ja; en u komt hem heel veel tegen. Hij is vriendelijk. En hij wil ook graag vriendelijk gevonden worden. Maar hij is vriendelijk op zichzelf aan. Als wij op hem lijken, laten wij onze broeder, die wel op ons hoopte, als het er om gaat spannen, alleen. En wij zijn niet standvastig. Een boerenvrouw zei: “Ik heb een broer. En ik houdt zielsveel van die jongen. Maar hij is toch zo slim.” Ze bedoelde: “zo slim, dat het bijna slecht is.” Issaschar is wel principieel. Maar niet als het wat kost. En hij doet zijn kinderen geen zeer. Want dat doet hem zelf zeer. Maar hij steekt ze in de hoogte; ook als zij dat niet verdienen. Maar er zijn geen drie of tien wegen. Er zijn er maar twee. Die van de vergeving en die van het oordeel. En God roept nog: “Issaschar, geef Mij uw hart!”

2. Dat is erg, als wij rustzoekers zijn, maar geen zoekers van God. Dan lijken wij wel vrome, vriendelijke mensen, maar dan zijn wij alleen nog maar geboren uit de geboorte van het natuurlijke bloed. En dan moeten wij leeg van onszelf worden door de Heilige Geest. En nu zie ik Jezus Christus. Hem, die niet een kind van de berekening was, maar van Gods eeuwige, grote liefde. Hij vroeg nooit wat het voordeligste was. Hij heeft het zwaarste gedragen zonder enig verweer. Nooit vroeg Hij iets voor zichzelf. Maar het was zijn eten en drinken om de wil van zijn Vader te doen. Hij had geen rust of vrede. Hij droeg zijn kruis. En Hij rustte niet, totdat Hij had uitgeroepen: “Het is volbracht!” Weet u waarom? Om Issaschar en allen, die niet zalig kunnen worden en om u en om mij een loon te bereiden. Wie maakt er zich druk om Gods eer? Maar de Heere Jezus volbracht Vaders wet door een vloek onder die wet te worden. En zo kunnen ook mensen, die Issaschar heten, zalig worden. Zomaar? Nee, maar dan gaat er een streep door onze berekeningen. Opdat wij alleen maar de genade overhouden. Wij kunnen met onze heidense kant de hemel niet in. Maar wij kunnen ook met onze godsdienstige kant de hemel niet in. Maar wij komen met de bede, als wij zo halfslachtig zijn: “Is er enig middel om de straf te ontgaan?” Dan komen wij aan de grond. De uitgeslapen schipperaar wordt eerlijk gemaakt. En het is van ons leven de moeilijkste dag. Maar ook de mooiste.

3. Als Christus in ons leven is gekomen, zijn wij geen knechten meer, die het doen voor het loon. Maar wij vragen in alles: “God, laat mij mijzelf niet bedoelen.” En: “Is wat ik doe tot Uw eer?” Dan houden wij vrede, waar mogelijk, met alle mensen. Maar dat is niet de rust van het compromis met de zonde. Maar ik blaf, als men aan mijn Meester komt, als een hond voor zijn baas. En ik zeg in mijn huis en familie en in de kerk en desnoods op mijn werk: “Maar ik zal alleen mijn Meester dienen!” “`k Zal voor Uw oog naar Uw bevelen leven!”; dat is mijn lust en mijn last. En die last is niet zwaar. Dat is, omdat ik Christus liefheb. En die zegt; “Ik zal maken, dat U Mij volgen zult en dienen.” Dan doe ik het dus eigenlijk niet. Maar dan doet Hij het. En hoe zou het dan zwaar kunnen zijn?! En het is het genadeloon waarmee dat wordt beloond. Ik lees bijna aan het eind van de bijbel, dat een van de poorten van het nieuwe Jeruzalem “Issaschar” heet. Ook onder hen heeft God zijn uitverkorenen gevonden! En zijn ijverige knechten zullen Hem daar eeuwig dienen!

Ds. J.A.H. Jongkind, Brandwijk.