Enige gedachten bij vraag en antwoord 113 van de Heidelberger).

Het laatste gebod komt ons vertellen, dat je de schat van je leven slechts kunt vinden op de plaats waar je bent. In je eigen leven met zijn grenzen en mogelijkheden. En niet ergens anders. Onze jaloezie brandt ons af. Als je je zelfmedelijden koestert, ga je er op den duur onderdoor. U behoeft niet alsmaar scheel te kijken naar wat iemand anders heeft of niet heeft. Maar u mag blij leven met dat wat van u is. “Gij zult niet begeren”. Het is het laatste gebod. Ook het felste en het scherpste gebod. En het liefste gebod. Want met dit gebod komt God het dichtste bij ons. Waarom is dit het felste gebod? Omdat ik het niet mag willen dat er ook maar een enkel gebod niet zou zijn. Onze punten zijn:

1.Dat wij helemaal een zondaar zijn.

2.Dat de Heere Jezus helemaal de Middelaar is.

3.Dat God helemaal onze eer waardig is.

 

1.Wat zijn onze ergste zonden? Dat zijn niet de zonden die wij zichtbaar doen en hoorbaar zeggen. De ergste zonden zijn de zonden die wij niet zeggen. Want dat zijn de meest eigenlijke zonden. Die zitten het diepst. Dat zijn de zonden die je voor jezelf nog niet eens wil weten. Maar ze bezorgen je een bang hart. Het Humanisme zegt: “Op de bodem van je hart ligt je betere ik”. Maar de Heere Jezus zegt: “Uit het hart komen voort kwaadaardige overwegingen, alle moord, overspel, diefstal, lasteringen” (vgl. Marcus 7:23). Maar is alle begeren verkeerd? Nee, dat is toch niet zo. In de Bijbel wordt bijv. het goud van Ofir begeerlijk genoemd. Je mag ook verlangen om vooruit te komen en wanneer je 23 bent te trouwen. Een mens is net als een boom. Zo`n boom wil omhoog. Je leeft niet meer, als je niets meer begeert. Maar wij mogen niet begeren wat van onze naaste is of wat tegen Gods geboden ingaat. Daarom leert ons juist dit gebod, dat wij niet maar een beetje, maar dat wij helemaal zondaren zijn.

 

2. Nu leert God ons dat niet om ons daarmee voor altijd af te schrijven. Maar om ons er uit te laten leven, dat de Heere Jezus even radicaal als dat wij zondaren zijn onze Middelaar is. Dat weet ik, als ik Jezus zie aan het kruis. Onze verborgen zonden zijn de ergste zonden. Die zitten het diepst. Maar nu zie ik Jezus komen. Onder de vloek en aan het kruis Hem komen. Naakt hangt Hij aan het kruis. “Naakt” betekent: “Er viel niets meer te bedekken”. Maar de Heere Jezus, die de goedheid zelf is, wordt schuldig verklaard. Maar dan weet ik: “Ook voor mijn openlijke zonden, maar ook voor mijn bedekte zonden, voor mijn diep weggestopte zonden, ging Hij naar het kruis. Want Hij is de zonde zelf geworden. Hij is voor mij tot zonde gemaakt. Hij is ook voor mijn verborgen zonden tot zonde gemaakt”.

 

3.In ons antwoord staat: “Maar dat wij te allen tijd van harte aller zonde vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben”. Dan is dat je leven geworden. Dat je zin hebt in Gods geboden. En om die te doen op elk levensgebied. Je verlangt ernaar om de Heere Jezus te dienen. Je verlangt ernaar om Gods wil te doen. Want dat komt door Gods Geest in je hart. Het strekt zich over heel onze levensbreedte en levensgang uit. Er is ook niet maar een ogenblik meer, dat je daar geen boodschap aan hebt. Kijk, zo worden wij door Jezus Christus vrij om God te dienen. En om met het ons gegeven deel gelukkig te zijn. En wij dienen God met blijdschap. Wij behoeven niet zo`n groot diploma te hebben als het meisje van twee straten verder. Wij behoeven niet zo`n geweldig huis te hebben als onze broer, de accountant. We behoeven niet even vlot te zijn als die jongen die zich zo goed kan verkopen. Ik heb mijn eigen leven van God gekregen. Een uniek iemand ben ik met een heel bijzonder leven. Ik behoef mij niet over de kling te laten jagen. En als ik iets niet krijg, mag ik weten: “Zou God het niet weten wat goed voor mij is?!” U moet niet uw unieke, kostbare leven u door de vingers laten glippen. U moet niet verbitterd raken om wat u nooit kreeg. Met jaloers te zijn verknoei je je leven. U moet ook maar niet zo gewichtig doen en geweldig. Want daar is het leven veel te kort voor. Maar door Jezus Christus weten wij ook van een moeilijk en verdrietig leven wat te maken. Clara Asscher-Pinkhof zegt in haar oorlogsboek “Danseres zonder benen”: “Lach tot de zorgen, dan worden ze klein. Lach tot de slechten, dan worden ze rein. Lach tot degenen, die droef zijn en moe. Lach jij het leven maar toe!” Het gaat niet om wat we hebben, maar om wat we zijn. Het gaat om het “van-Christus-te-zijn”. In Hem bloeit mijn leven op en ben ik tevreden. Mijn hartstocht en verlangen is de begeerte van de bruid uit het Hooglied, die van Christus zegt: “Alles aan Hem is gans begeerlijk!” M.a.w: “Wat is Hij mooi en wat is Hij lief!” Moeilijk is misschien dan wel ons leven; maar wij hebben vrede.

 

Brandwijk J.A.H. Jongkind