Heere! waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen Uws erfdeels

(Jesaja 63:17)

Wij denken achtereenvolgens na over:

  1. Een heftig woord
  2. Een teer woord
  3. Een verwachtingsvol woord

1. Als je dat tegen de Heere zegt, is dat niet alleen een prikkelend, maar ook een gewaagd en ‘schril’ woord. En is het ook niet een grievend en goddeloos woord? En daar lijkt het inderdaad op. Want de schuld lijkt op het conto te worden geschreven van God. Mijn opa op Lexmond zei tegen zijn kinderen, dat ze geen medelijden met zichzelf moesten hebben, omdat dat een mens naar de ondergang voert. Maar dit lijkt een wel heel hoog opschietend zelfmedelijden te zijn. “Waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen? Zit het a.h.w. in onze genen; en komt de zonde daardoor?” En de volkse variant daarop is: “Ik heb toch zeker mezelf niet gemaakt?!” En de heftige gedachte komt bij ons allemaal wel eens boven: “God, het is niet eerlijk! Waarom heeft U het niet anders gedaan?!” En het is de grote vraag die Gods kinderen al duizenden jaren teistert: “Zou God Zijn genâ vergeten? Nooit meer van ontferming weten?” (Ps.77:6; berijmd). Maar wordt God zo niet verantwoordelijk gesteld voor alle onrecht in de wereld? En wij verwijten God in zekere zin onze geschapen vrijheid en dat wij geen dieren zijn, maar mensen met een eigen verantwoordelijkheid.

2. De aanspraak in dit woord is ‘Heere’. En u weet zonder twijfel, dat dat ‘Heere’ per definitie op iets vertrouwelijks slaat. Want dat ‘Heere’ is de naam van de samenzwering of van het verbond. De intieme naam waarmee Israël zijn God mocht noemen. Als het alleen maar grof bedoeld was, had er geen ‘Heere’ gestaan. En dat blijkt ook uit wat aan de tekst vooraf gaat. Want dit inderdaad heftige woord staat wel ingekaderd in een gebed. En dat is een teer en aandoenlijk gebed. En dat geeft dit woord in een hele sterke mate zijn kleur. Maar het thema dat aan de orde is, is ernstig. God geeft soms de mensen over aan de gevolgen van hun eigen noodlottige keus. De roepstemmen van de wet en het evangelie dringen dan niet meer tot ons door. En wij ondervinden bitter, dat God onze zonden straft met weer nieuwe zonden. En we komen in een vicieuze cirkel terecht. En dan hebben we te strijden met dat zieke en dat zere in ons, dat we maar niet overwinnen kunnen. En dat is een hele zware toestand. Maar dit is een uiteindelijk teer en stoutmoedig tot het uiterste gaan. En een in die uiterste nood tot God roepen. Dan is de zonde sterker dan wij. En we zien, dat wij er te gronde mee gaan. En dan is dit een ten uiterste je op God beroepen: “Heere, waarom?!” Maar dit woord moet niet worden uitgelegd in een kille, deterministische zin. Alsof de profeet zou bedoelen: “Het is allemaal toch al vastgelegd in de eeuwigheid hoe mijn leven verloopt. En wat ik doe of niet doe, dat haalt toch niets uit.” Maar dit is een gebed op hoop tegen hoop. “Doe Uw woord gestand, Heere; en geef ons niet over aan ons dwaalzieke hart.”

3. De tekst eindigt met : “Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen van Uw erfdeel.” Dat woord ‘stammen’ wordt in de eerste vijf bijbelboeken dikwijls gebruikt, maar de profeten gebruiken het maar weinig. Maar nu noemt Jesaja het met nadruk. En dat is alweer dat tere. Jesaja bidt: “God, denk weer aan het begin. En toen het voor Israël de liefdeslentetijd was en toen U het volk in het nieuwe land deed wonen.” En wat een machtig woord is dat woord ‘Keer weder!’ Het is alsof Jesaja zegt: “Wij weten wel, dat wij terug moeten keren en ons bekeren; want daar heeft U recht op. Maar wij zijn zo klein en zo arm. En wij kunnen ons tot U niet bekeren, als U zich tot ons niet bekeert. God, keer weder; en heb medelijden met onze schuld en met onze last. Want, God, U kunt alles, maar U kunt niet trouweloos zijn. En U kunt niet van Uw woord af.” En dan loopt het uit in Jesaja 64:1 op de bede: “Ach, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt.” En dat is het lied van de advent van Gods kerk: “O kom, o kom, Immanuël, Naar U ziet uit uw Israël. Verduisterd is ons hart door angst. De nacht der wereld is op ’t bangst. Bezoek Uw erfdeel nu ook weer, Neig toch Uw heem’len en daal neer” (een variant op een bekend gezang). En dat heeft God gedaan. Met de terugkeer van het volk uit de ballingschap heeft Hij dat gedaan. En in de komst van Christus in de stille, heilige nacht. En het was nooit donkerder dan dat het toen was. Maar toen kwam God neer als nooit tevoren. En het roepen van het ‘Waarom?’ van de Heere Jezus werd niet verhoord. Voor Hem hield God zich als doof. Maar zo vinden wij gehoor aan de troon. En bij Christus zijn er uitkomsten in het ergste leed en tegen de dood. En als wij nu bij de Heere, ook al is het met ons nog zo verloren, komen, is dat een teken van dat wij niet geheel en al zijn verhard. En al is het alleen nog maar de dunne draad van ons verdriet om de zonde die ons verbindt met Christus is dat toch nog een moedvol teken!

Brandwijk, J.A.H. Jongkind