Alweer enige jaren terug kwam er een klein boekje uit van de destijds heel bekende legerpredikant ds. J.J. Poort. Het had als titel: “Mijn kinderen doen er niet meer aan.”

Tot troost van, naar ik hoop, vele mensen volgt daar in deze kolommen een klein hoofdstukje uit. Het is getiteld: “Hebben we het dan allemaal zo verkeerd gedaan?”

“Best mogelijk, ja. Ik denk, dat je dat maar meteen moet durven zeggen. Best mogelijk, dat u en ik het helemaal verkeerd hebben gedaan. En dat het – het klinkt keihard, maar het is niet anders – allemaal onze schuld is dat onze kinderen er niet meer aan doen. Niet meer naar de kerk. Niet meer naar de catechisatie. Niet meer geloven in de Bijbel. Helemaal niets meer.

Of wil je zeggen, wat je toch ook nogal eens hoort: “Onbegrijpelijk, want we hebben onze kinderen toch altijd het goede voorgehouden?” Is dat waar? Echt waar? Kun je dat met je hand op je hart beweren? Altijd het goede voorgehouden? Altijd? Nooit het slechte?

Bovendien denk ik, dat we, als we het over onze eigen schuld hebben, in goed gezelschap zijn. Of, beter gezegd, in een gezelschap dat toch nog uit narigheid werd gered.

Kijk bijvoorbeeld eens naar de leerlingen van Jezus. Je zou toch denken: “Die zullen het wel goed gedaan hebben, als het ging om kinderen tot Jezus te brengen”. Maar nee. Ze deden het zo enorm verkeerd, dat niet alleen die kinderen afgestoten werden, maar ook Jezus zelf ontstak in woede. In het oorspronkelijke Grieks wordt er dan een woord gebruikt dat het toppunt van woede uitdrukt en dat verder nergens meer in het hele Nieuwe Testament wordt gebezigd: zó kwalijk was hun gedrag jegens kinderen geweest. Onwetend, overigens. Zonder twijfel hadden ze gedacht het góed te doen.

En in het verhaal over Zacheüs lees je net zoiets. Hij kon geen zicht op Jezus krijgen.  Net als onze kinderen, bij wie het ook niet lukt. En hoe kwam dat? Antwoord: “Hij kon niet vanwege de schare!” En waaruit bestond die schare? Uit mensen, die vlak bij Jezus stonden! Net zoals wij voor eigen besef misschien heel dicht bij Jezus staan. Maar ze stonden wel een ander in de weg. Benamen hem het zicht!

In beide gevallen heeft Jezus de gedupeerden gered! En als je het zelf ook verkeerd hebt gedaan, net als die discipelen en net als die schare, dan mag je vertrouwen dat Jezus ook de door jou gedupeerde kinderen redt. Want Hij is gisteren en heden dezelfde! Bij die discipelen nam Jezus de uit de hand gelopen situatie eigenhandig over. Hij interrumpeerde zijn discipelen, greep in en zorgde zelf dat de afgestoten kinderen alsnog onder Zijn handbereik kwamen.

En Zacheüs vond, toen de mensen hem blokkeerden, een andere weg en kwam uiteindelijk nog beter uit dan de mensen die hem in de weg hadden gestaan. Want hij ontving (als enige!) Jezus in zijn huis en begon een totaal nieuw leven. Niet dank zij de mensen vlak voor hem. Maar dank zij Hem die hèm zag. En redde!

Nog eens die vraag waar we mee begonnen: “Hebben we het allemaal dan zo verkeerd gedaan?” En nog eens dat antwoord, hoe bitter dat ook klinkt: “Ja, misschien wel”. Maar wat gebeurt er dan, als je tot die erkentenis komt? Zak je dan weg in zelfbeklag? Zo van: “Ik bedoelde het toch zo goed?” Zink je in schuldgevoel voor God? Dat zou kunnen. Daar zou een reden voor kunnen zijn. Of doe je iets anders? De vinger uitsteken en bitter wijzen op “die jeugd van tegenwoordig”? Die jeugd, die zo anders is? Die jeugd, die niet wil?

Of is er nòg iets anders? In plaats van vol zelfbeklag in de spiegel te kijken en in plaats van vol verwijt naar die ander te kijken: vàn jezelf af en vàn die ander af op Jézus te zien! Op Jezus, die redde. En altijd redt. En tot wiens eer gezongen wordt: “Groter dan de helper is de nood toch niet….” Zelfbeklag helpt niet. Verwijt helpt ook niet. Vertrouwen wèl.

Nooit ben ik vergeten wat een collega eens tegen mij zei. `t Was tijdens een gesprek over een mislukt christelijke opvoeding.

En ook toen kwam die vraag op: “Hebben we het allemaal dan zo verkeerd gedaan?” En: “Is het nu allemaal verkeken?” Toen kwam die voor mij zo onvergetelijke zin: “God heeft je wel een opdracht gegeven, maar Hij heeft Zijn werk echt niet aan jou uitbesteed!”

Dus: al heb je gefaald, daarmee is de zaak niet hopeloos. Hij zelf is er ook nog! Zijn hulp is sterker dan onze fouten. Of, zoals in de Bijbel zeer sterk en troostrijk staat: “God is meerder dan ons hart!”