Een lied Hammaälôth

Psalm 123 gaat over “Een nederige bidder”. Wij denken aan de hand van de volgende punten over deze psalm na:

  • 1.Hij klimt op tot naar een grote hoogte.
  • 2.Hij nadert in diepe nederigheid.
  • 3.Hij doet een beroep op Gods genade.

1.Deze bidder gaat bij God in beroep. Hij staat voor de troon die een machtige troon, maar die door Jezus Christus ook een genadetroon is. Wij zouden tot die troon niet durven komen als de Heere Jezus niet had gezegd: “Kom maar met Mij mee; dan zal Ik u bij de troon van de Vader brengen”. Wie is de dichter van deze psalm? Wat is er in zijn leven gebeurd? Wij weten het niet. Maar wij weten wel, dat hij in ongelukkige omstandigheden leefde. Heel de wereld leek tegen hem samen te spannen. De mensen oordelen hard over wat hij in hun ogen verkeerd heeft gedaan. “Wij zijn meer dan verzadigd van verachting”; met die zucht sterft deze psalm weg. Zo is het soms ook met ons. Als er niet echt naar ons wordt geluisterd. Of wij worden in de hoek gezet door iemand die alles altijd zo goed weet. Maar nu klimt de dichter tot daar waar de aanvallen van de mensen niet kunnen komen. “Ik hef tot U die in de hemel zit, mijn ogen op en bid”. Wij moesten het ook zo maar doen. Wij moesten tegen God ook maar zeggen: “Ik heb niemand die het voor mij opneemt. Ik weet niet waar ik heen moet. Maar nu kom ik tot U”. De wereld is een heksenketel. De marges worden smaller en de samenleving harder. Maar wanneer wij leven uit Gods grote rijkdom hebben wij de ongeschokte moed om doortastend in dit leven te staan.

2.Deze bidder nadert in diepe nederigheid. Opvallend vaak wordt in deze korte psalm het woord “Genade” gebruikt. Het is duidelijk, dat de dichter zichzelf met een knecht of een slaaf vergelijkt. Dat is niet een reden om de Bijbel ouderwets te noemen. Het is wel gelukkig dat de slavernij, zoals vroeger, niet meer bestaat. De Bijbel (u ziet het als u de Bijbel goed leest) is een grote vijand van de onvrijheid van de mensen. Het is goed, dat de wereld op dat punt niet net zoals vroeger meer is. Maar wij kunnen dat beeld van de slaaf en de meester toch ook nu nog wel begrijpen. De koning en de minister staan hoger dan wij. Die zijn van een ander niveau. En de ogen van de voetballer zijn op de hand van de trainer. Wat een gezag heeft zo`n man! En de generaal zegt echt niet tegen de soldaat: “Kees, laat jij er je licht eens over schijnen”. Dus dat voorbeeld uit de Bijbel is niet zo achterhaald als wij dachten. Zo afhankelijk als de slaven voor hun meester stonden, staan wij voor God. Dit voorbeeld zegt, dat wij voor alle dagelijkse en eeuwige zegeningen van onze Meester in de hemel het moeten hebben. Maar wij mogen Hem, met Christus mee, “Onze Vader” noemen. Kun je “Vader” tegen de hoge God zeggen? Durven wij dat? Een kind kan het. Maar wanneer je niet een kind bent, kun je het niet. Het mooiste woordje van Ps.123 is het woordje “Totdat”. “Totdat Hij ons genadig is”. Hoe God dat doet, weet ik niet. Ik moet dat helemaal ook niet weten. Maar dat Hij het doet, weet ik zeker. Is het bij Mattheüs niet de laatste groet van de Meester: “En zie, Ik ben met u, al de dagen”. Wij somberen en piekeren en denken dat wij het allemaal zelf moeten doen. Maar wat Christus gekocht heeft, zou Hij daar niet zuinig op zijn? Hij zal heel de weg ons bewaren. Maar wij wachten niet graag. Wachten, dulden en dragen willen wij niet. Wij willen de pijn verdoven of wegmasseren. Tot er een omslag komt. Dan kunnen wij onszelf niet meer redden. En dan denken we: “Hoe kan ik ooit zalig worden? Want er deed er nooit een zoveel kwaad”. Dan worden wij een verloren geval. Maar Gods Geest doet deze woorden in ons leven: “Ik hef tot U die in de hemel zit, mijn ogen op en bid”.

3.Deze bidder doet een beroep op Gods genade. En dat doet ook alle geloof en ieder gebed. “Wees ons genadig, Heere, wees ons genadig”. Waarom doet de dichter geen beroep op Gods recht? Want ook dat komt in de psalmen wel voor. De dichter denkt (terecht ook voor een goed deel), dat er ook veel waars is in wat zijn tegenstanders vinden. Daarom kiest hij voor: “Wees mij genadig”. Onze meest oprechte gebeden zelfs zijn voor God niet een aanbeveling. Onze daden en deugden maken geen indruk op God. Maar Hij hoort ons om de reden van de genade. Dat betekent, dat Hij ons “om Jezus` wil” hoort. De genade is het kapitaal van de grenzeloos bemiddelde God. Die slaaf moest het maar afwachten. Hij was er niet zeker van , dat zijn meester, wat hij van hem verlangde, ook gaf. Maar Jezus zegt: “Die bidt, ontvangt; die zoekt, die vindt; die klopt zal worden open gedaan” (vgl. Lk.11:9). Wij zijn als wij bidden straatarm, maar tevens schatrijk. Doe maar een beroep op Gods Woord. Daar geeft Hij het voor. En er is geen betere aanbeveling als wij bidden dan de voorspraak van de Heere Jezus. Omdat God Zijn Zoon nooit iets weigert.

 

Brandwijk                                                                                    J.A.H. Jongkind