Een lied Hammaälôth

Toen David koning was geworden over alle twaalf stammen was zijn eerste regeringsdaad dat hij de ark naar Jeruzalem bracht. Niet alleen maar de stad van de koning zou deze stad zijn, maar het zou vooral de stad van God zijn. Later zou de tempel er worden gebouwd. David huppelde in al zijn eenvoud stralend voor de ark uit. David deed in zijn leven heel veel niet goed, maar er ging hem niets boven God. Wat een mooi gezicht moet dat geweest zijn als van alle kanten de gelovigen naar Jeruzalem kwamen en de wegen zagen zwart van het volk. Rouveen; maar dan nog mooier! Heel verschillend waren Israëls stammen. Van de twaalf zonen van Jakob waren er geen twee hetzelfde. Maar ze deugden geen van allen. Maar God bleef van ze zeggen: “Dat volk is Mijn volk!” Je kunt dat alleen maar noemen trouwens met een snik in je stem. Zo had God het ingesteld: dat Zijn volk tenminste jaarlijks met de drie grote feesten in Jeruzalem zou komen. Om daar één te zijn rondom het altaar. Zijn wij als gemeenteleden samen een eenheid? Wij moeten niet enghartig denken dat er niemand zalig wordt dan wie in onze kerk komt. Maar wij moeten ook niet de kant van de “oecumene van het hart” op. Dat is liefdeloos t.o. je eigen gemeentegezin en je voedt er de vrijblijvendheid mee. “Jeruzalem, dat ik bemin, wij treden uwe poorten in”. Als Jezus dat zingt, klinkt het het mooist. Jezus die als jongen al naar Jeruzalem mee mocht en die als de “Man van smarten” voor het laatst er heen is gegaan. Nooit stond in iemands ogen zo diep het verdriet om het verval van de kerk te lezen dan in de ogen van Hem. “Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik u vergaderd als een hen haar kuikens, maar gij hebt niet gewild”. Wat voor Israël de tempel was, is voor ons de dienst van het Woord. Laat als u de klok hoort het tij niet verlopen. “Ga je mee? Wij gaan naar Gods huis!” Wie gelooft, is graag in Gods huis. Het “is” er ook wel eens wat. Het is nergens zo goed als in de kerk, maar het is soms ook nergens zo moeilijk. In de Kloosterkerk in Den Haag heeft het volgende gedichtje van Jacobus Revius (1586-1658) als een in steen gebeitelde versiering ooit een plaats gekregen:

 

“`t Is wijsheid naar de stal van Bethlehem te treden,

dat is (opdat gij `t weet): te komen in Zijn kerk.

Gij vindt er Godes Zoon en Zijn verkoren leden,

al gaat het er wat krom en armelijk te werk”.

 

Maar uiteindelijk wijkt dat menselijke. Want de kerk is Gods huis. De mensen doen je er soms zeer. Je bent zelf ook niet volmaakt. Maar je hebt de gemeente lief; nee, niet om de mensen, maar om haar Heere. In haar gebreken zelfs houd je van ze. Ik zou hopen, dat uw naar de kerk te gaan steeds een thuiskomen is. Dat u wel eens denkt: “Ik weet wel dat het niet kan, maar hier zou ik wel altijd willen blijven, bij de kribbe en bij het kruis en bij het geopende graf in de hof van Jozef. Wat blijdschap smaakt mijn ziel wanneer ik voor U kniel, in `t huis dat Gij U hebt gesticht”.

Jeruzalem is hecht samengevoegd. “Hecht samengevoegd” is wat de bouwkunst op het oog heeft. Het slaat op de poorten en de huizen en de muren en de heuvels om Jeruzalem heen. Het is een prachtig geheel. Maar het slaat ook op meer dan alleen maar de bouwkunst. Jeruzalem is vanouds de stad van de koning en van de priesters. God deed er Zijn Naam en Zijn glorie wonen. Jezus heeft er geleden en had er Zijn graf. En daar is Gods Geest uitgestort. De discipelen op de Olijfberg zeggen: “Heere Jezus, wat is het hier mooi!” Maar Zijn antwoord was: “Er zal niet een steen op de andere gelaten worden”. En dat klonk als een snik. Het centrum van het land was Jeruzalem. En het centrum van Jeruzalem was de tempel. En het centrum van de tempel was de ark met daarop het gouden deksel met de cherubs. Op die ark werd door de hogepriester op de Grote Verzoendag bloed gesprenkeld tot verzoening van de zonde. Maar daar vlakbij stond de troon van David en bevonden zich de stoelen van het gericht. Als je het woord “Gericht” hoort, schrik je. Maar de stoelen van het gericht staan dichtbij Gods huis. Naast de plaats van de verzoening staan ze. Wij behoeven onze Rechter niet te vrezen.

In het slot van deze psalm horen we dat de vrome pelgrim om de vrede voor Jeruzalem bidt. “Bid om de vrede voor Jeruzalem, laat het goed gaan met hen die u liefhebben. Laat vrede binnen uw vestingwal zijn, rust in uw burchten. Omwille van mijn broeders en mijn vrienden spreek ik nu: Vrede zij in u! Omwille van het huis van de Heere, onze God, zal ik het goede voor u zoeken”. Daarin staat drie keer het woord “Vrede, Shaloom”. Vrede is meer dan “er is geen krakeel”. Vrede is heelheid, harmonie en voorspoed. Vrede is, dat God het leven licht maakt. Jeruzalem is de stad die door Gods vinger aangeraakt is. Christus omarmde Sion en had die stad lief. Eenmaal zullen Jezus` voeten staan op de Olijfberg. Dan doet Hij de gouden deur open waar Zijn volk door naar binnen zal gaan. Wij gaan naar het feest! En de kerk is de bruid!

 

   Brandwijk                                        J.A.H. Jongkind