Een meditatie n.a.v. Jesaja 44:3a:

“Want Ik zal water gieten op het dorstige en stromen op het droge”).

Jesaja wordt wel eens “De evangelist onder de profeten” genoemd. Een mooie, welverdiende titel is dat. Een prediker van het evangelie was Jesaja al ver voor de Heere Jezus werd geboren in de stille, heilige nacht. Maar hij is niet alleen de evangelist onder de profeten omdat hij zo duidelijk over Christus in zijn dagen heeft gesproken, maar niet minder omdat hij zo indringend heeft gesproken over wat Gods Geest doet. U kunt van deze tekst zonder overdrijving zeggen, dat het een pinkstertekst is. “Want Ik zal water gieten op het dorstige en stromen op het droge”.

Wat was het vorig jaar in de lente niet droog! De velden lagen er uitgeblust bij. De grond scheurde van de droogte. Er viel niet een frisse regen in de tijd dat het land er naar verlangde. Alles zag er dor uit.

In de Bijbel wordt Gods Geest vaak vergeleken met de regen. Met de regen die het land uit doet spruiten en die het zijn vruchtbaarheid geeft. Vroeger waren er geen bevloeiingsinstallaties. Van de vroege en de late regen hing het allemaal af. Als de vroege en de late regen niet het land vochtig maakten, mislukte de oogst. In de Bijbel kom je die twee regenperioden dan ook telkens tegen. Allereerst de periode van de vroege regen, die in oktober en november zo ongeveer viel en die voor het zich ontwikkelen van het gestrooide zaad noodzakelijk was. En vervolgens de periode van de late regen van maart en april, die voor het rijpen van de gewassen noodzakelijk was.

 

In een grote geestelijke droogte, kun je zeggen, dat ons land zich bevindt. Ons land is de weg kwijt. De overvloed van het koren van de zeven vette jaren lijkt bijna op. Wij hebben Jozef (d.i. Jezus) nodig om Gods voorraadschuren voor ons open te doen. Meer dan dat wij dat vaak doen, zouden wij God om Zijn geestelijke regen moeten bidden. Wel m.n. om Zijn late regen. Is het niet zo, dat de vroege regentijd voor wat betreft ons land voorbij is? Eenmaal heeft de kerk zich in ons land gevestigd. Overal getuigen onze mooie kerken daarvan. Maar het is nu zo ingezonken dikwijls. Maar wij moesten maar vurig aan God vragen: “God, ook Uw late regen is er toch nog?!”

“Want Ik zal water gieten op het dorstige en stromen op het droge”. Een geweldige belofte is dat. Of eigenlijk zijn dat twee beloften. De eerste belofte is: “Ik zal water gieten op het dorstige”. Het kan zijn, dat er in ons Bijbeltje nog “De dorstige” staat. Dat is meer persoonlijk. Maar het maakt niet veel uit. “Het dorstige” of “De dorstige” is degene in wiens leven God al is begonnen met te werken. Deze dorstige heeft dorst gekregen. Want dat heeft hij gekregen van God. Werkelijk een geestelijk verlangen is er in hem ontstaan. God geeft ons niet alleen water; maar Hij geeft ons ook dorst (of we dat nu graag hebben of niet). U en ik hebben vaak een heel ander verlangen. Het verkeerde verlangen naar eer en naar wraak en naar aanzien en geld. Dat is allemaal een kenmerk van ons geestelijk dood-zijn. Een jongen zei: “De zondag is mijn gelukkigste dag. Dan mag bij ons thuis de computer niet aan. Dan ga ik naar de kerk met mijn vrienden. Dan hoef ik een dag niet te kijken”. Dat is wel een hele diepe natuurlijk. Want u voelt wel, wat een verscheurd leven zo iemand heeft.

Maar hier is er een geestelijk verlangen gekomen. Een verlangen naar God. Verlangen u en ik ook naar een nieuw, ander leven? En naar Jezus Christus; en dat Hij ons doel en onze trots is? Zet uw lege emmer maar bij God neer. Zou Hij niet een stroom van zegen aan u kunnen geven?! Wij zeggen wel eens: “Het giet!” Nu, dat doet het ook hier. Zuinig gaat het er hier niet aan toe. Overvloedig giet God Zijn zegeningen op Zijn arme volk uit.

 

Maar wanneer je die dorst, dat verlangen niet hebt? Kijk eens goed: God doet er nog een belofte bij juist voor zulke mensen. Een belofte voor wie zo ontzettend arm is, dat hij zelfs geen dorst heeft. Een belofte dus voor onbekeerde mensen met een leeg en dor hart. “Ik zal stromen gieten op het droge”.

In de Bijbel zijn er veel beloften voor bepaalde categorieën van mensen bestemd. Min of meer voorwaardelijke beloften zijn dat. Maar ik moet het wel goed zeggen. Die beloften zijn niet voorwaardelijk in de zin van dat je zelf eerst, voordat je bij God komt, toch nog wat moet doen. Maar ze zijn wel voorwaardelijk in de zin van dat er een bepaalde gesteldheid van je hart in zulke beloften wordt voorondersteld. “Keer terug, afkerige kinderen, Ik zal u van uw afdwalingen genezen” (Jer.3:22); dat is er zo een. Maar de mooiste beloften zijn de beloften die zelfs niet eens aan een bepaalde hartsgesteldheid zijn gekoppeld, maar die iedereen vrij roepen om te komen. “Ik zal stromen gieten op het droge”. “Op het droge”. Dus de grond is keihard. Misschien is dat ook in ons leven wel zo. U bent misschien iemand bij wie er naar God toe helemaal geen opening is. Maar dat is voor God geen reden om u over te slaan. Met bakken tegelijk giet God Zijn Geest uit.

Als het in de woestijn wel eens regent, begint alles ineens groen te worden en te bloeien. Want de in het zand verborgen zaadjes gaan ontkiemen. Al die preken die u in uw leven al gehoord hebt, liggen in uw hart misschien ook wel te wachten tot het water van Gods Geest er op valt. Als Gods Geest komt, wordt ons hart week. De pijn gaan wij dan voelen van de zonde. Uitgedreven worden wij dan tot Christus en wij roepen om de genade van de Heilige Geest. En dan wordt het druk op de catechisatie en dan wordt elke zondag het huis van God vol.

In het laatste van onze tekst is er trouwens nog een derde, hele mooie belofte voor de kinderen van de gemeente, die de Heere wel heel in het bijzonder met liefde beschouwt.”Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen”. God moet wel heel veel om jullie, jonge mensen, geven, dat Hij dat zo zegt. En het einde is wat in het laatste boek staat van de Bijbel: “Zij zullen geen honger of dorst meer hebben, en geen zonnesteek of enige hitte zal hen treffen. Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en zal hen geleiden naar de levende waterbronnen en God zal alle tranen van hun ogen afwissen” (Openb.7:16 en 17).

 

Brandwijk J.A.H. Jongkind