Zet me als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm. Want de liefde is sterk als de dood.

(Hooglied 8:6a)

(Een indruk van een trouwpreek).

Ons thema luidt: “De liefde van de bruidegom en de bruid”. En de punten zijn:

  1. De verwachting van die liefde
  2. De verworteling van die liefde
  3. De vurigheid van die liefde

1. Als je trouwt, mag je er wat van verwachten. Je mag er niet het ongereserveerd te kunnen blussen van je hartstocht van verwachten. Maar de reine gloed van de liefde mag je er van verwachten. En dat jij je geeft en dat die ander zich geeft. En dat je spelenderwijs alle weerstand aflegt. En dat jullie, net als elke mensengeneratie, het liefdesspel boeit. Stelt u het zich zo eens voor, dat het mooie Hoogliedmeisje samen met haar jongen, onschuldig en open, net als Adam en Eva in den beginne, in een weiland onder een appelboom ligt. En met fel kloppende harten kijken zij naar elkaar. Want vrijmoedig wordt dat beeld hier opgeroepen. En zij speelt met het kettinkje dat hij om zijn hals draagt, met daarin het zegel, dat hij van zijn vader heeft gekregen, met zijn naam er in gegraveerd. En wanneer er later iets officieels is, bevestigt hij daar zijn besluit en wil mee. Dat zegel behoort helemaal bij hem. En dat behoedt hij als was hij het zelf. En dat kettinkje, daar speelt dat meisje mee. En dan is het net, alsof ze jaloers op dat kettinkje is. “Het zal toch niet zo zijn, lieve jongen, dat dat zegel (en jouw wil dus) eerst komt en ik pas daarna? Dichter, lieve jongen, wil ik bij jou wezen dan dat zegel”. En als u nu goed luistert, spreekt daar inderdaad haar verlangen in. Maar ook haar realiteitsbesef en een zekere angst. Want de vrouw is het ‘zwakkere vat’. Hij is ook kwetsbaar, maar zij nog veel meer. Een van de grote dingen die huwelijken onder druk kunnen zetten, is de dominantie van een van de twee of de seksuele overvraging, vooral door de man. En het soms, toch even, dromen over wat niet van jou is, maar wat toch je hart raakt. En de vrouw weet het het beste, als het de man meer om iets van haar te doen is dan dat het hem om haar zelf te doen is. Maar zij wil die verwijdering niet, maar zij wil het hele leven diep met hem delen. Velen van ons weten dat; dat er zo gauw iets tussen zit. En dat je dan naast elkaar zit of ligt, maar toch niet bij elkaar bent. “Zet mij als een zegel op je hart. Zul je mij helemaal toegewijd zijn?”

2. Het Hooglied, ‘dat van Salomo is’, verwijst naar Christus als de grote Koning. En de bron en bodem van de liefde is Zijn liefde. Nee, Zijn liefde was niet maar een beetje liefde, maar een liefde tot het einde. En wel tot het einde van de bitterheid en de pijn van Zijn verlaten lijden. Nee, de liefde is niet iets idealistisch. Of zoiets als waarvan je zegt: ‘Daar gaan we dus voor!’ Want daar zit je gauw mee op de bodem. Maar de liefde is de liefde van Zijn offer. Wij zeggen: ‘Ik zie wat in je; daarom houd ik van je’. Maar de Heere Jezus gaf Zijn liefde aan hen aan wie er voor Hem niets aantrekkelijks was. En als wij dat geloven, komen wij ook de teleurstellingen door. En wij blijven staande, ook als wij onszelf zo bitter tegenvallen en wanneer onze allernaaste, ook al is het maar in van de andere mensen niet geweten dingen, blijkt ontrouw te zijn. Dan blijft de liefde door het geloof. Weet u waar de liefde begint? Waar ik bij het kruis kom. De echte liefde is de liefde die het elke dag weer moet hebben van de genade. Want als Hij ons vergeeft, vergeven wij ook elkaar. En dan bidden we het samen als man en vrouw tot Hem: “Hecht me als een zegel aan Uw hart. Laat mij Uw liefste bezit mogen zijn”.

3. “Want de liefde is sterk als de dood”. Dat is van de liefde de intensiteit. Bij nader inzien is het niet eens zo vreemd, dat de bijbel de liefde vergelijkt met de dood. Liefde en dood zijn allebei oerkrachten in het leven. Beiden zijn onontkoombaar. En de diepste vragen van de mensen en de teerste zielenroerselen komen boven zowel bij de liefde als bij de dood. Ze zijn aan elkaar gewaagd. Ze zijn even sterk. De liefde neemt ons dan ook helemaal in beslag. Zij beheerst ons denken en bepaalt ons geluk. En de liefde doet ook in die zin aan de dood denken, dat je ook in de liefde een grens overgaat. Je verliest je aan elkaar en je brandt je als in een vurige gloed. Ja, de liefde is er niet zonder strijd. En je hebt soms een afkeer van je ontrouwe hart. En soms word je gekwetst door hem of haar die je het liefst is. En wat is je weg dan donker. Maar als Christus van ons leven het geheim is, volgt na de teleurstelling en de strijd de acceptatie. En dan mag hij ‘hij’ zijn en zij ‘zij’ ondanks alle zonden. “Zet mij als een zegel op uw hart; houd mij, lieve jongen, dicht tegen je aan”. En wij hopen samen met Gods ganse kerk op de dag dat de grote bruiloft aanvangt. En wanneer de Heere Jezus en Zijn bruid elkaar eeuwig beminnen zullen.

Brandwijk, J.A.H. Jongkind