Onze punten zijn

  1. Wat Zijn aanstelling is
  2. Wat Zijn optreden is
  3. Wat Zijn werk is

1. Lang geleden stond in Middelburg een predikant, die wel 145 keer over het gekrookte of geknakte riet heeft gepreekt. Het is niet zo, dat hij al die preken achter elkaar heeft gehouden, maar zo tussen de andere preken door kwam hij altijd bij die stof weer terug. En die preken zijn na zijn sterven door zijn vrienden samengebracht; en die hebben daar een boek van gemaakt. En daar staat veel leerzaams in van wat God in het hart van Zijn kinderen doet. In de genoemde verzen gaat het over de Knecht des Heeren. Deze naam heeft al vele pennen in beweging gebracht. En dan ging het altijd over de kwestie: “Wie zou dat zijn?” En men heeft aan de Perzische koning Kores gedacht, die Israël uit de ballingschap verloste. En men heeft aan Israël als zodanig of ook aan de kleine, arme rest van de Israëlieten gedacht. Maar bevredigend zijn die antwoorden niet. Maar het is met het oog op de grote en volmaakte Dienaar, Jezus Christus, dat hier wordt gesproken: “Ziet, Mijn Knecht.” En dat “Ziet” betekent, dat er niets van wat hier wordt gezegd ons moet ontgaan. En als Knecht is de Heere Jezus een Ondergeschikte geweest; en Hij is de Minste van de minsten geweest. En de wet heeft Hij tot in de finesses gedaan. En de straf heeft Hij gedragen voor ons overtreden. Wij vonden er ons te goed voor om knechten te zijn, maar wij wilden koningen zijn. Maar de Heere Jezus werd Gods Knecht bij uitstek. Maar dat woord “Knecht” slaat niet alleen maar op zijn nederigheid. Maar het betekent ook “Vertrouweling”, “Gunsteling”, “Kind” en “Geliefde”. Vergelijk dat maar met het Zeeuwse dialect waarin men bijv. “M’n Knachtje” kan zeggen tegen zijn kind. “Mijn Knecht” wil dan ook zeggen, dat God helemaal achter Hem staat. En als Jezus mijn zonden vergeeft, is de Vader het daarmee hartelijk eens.

2. “Want Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat laten horen.” Vindt u dat niet fascinerend? Hij is niet gekomen met roerende trom en met veel lawaai, maar zomaar stil en eenvoudig ging Hij Zijn weg. De kanttekeningen van de statenvertaling zeggen, dat dit betekent: “Hij zal niet roepen en tieren. Hij bluft niet (dus Hij schept niet op, maar Hij doet wat Hij zegt). En Hij maakt geen tumult. Hij is stil, beleefd en deemoedig.” En dan sluiten de kanttekeningen af met wat wel heel ontroerend de weg van de Heere Jezus beschrijft: “Hij duldt de onvolmaaktheden van Zijn uitverkorenen. Hij heeft geduld met de zwakheden van de arme zondaar.” Vindt u dat niet mooi? Hij heeft medelijden met een arme zondaar. Hij blaft hem niet af. Hij kijkt hem niet weg. En wij kunnen niet zo arm zijn en ellendig, of wij mogen bij Hem komen. Nee, Hij zal Zijn stem niet op de straat laten horen. En dat maakt ons beschaamd. Want wij zetten steeds onszelf op de kaart. En “De brutalen hebben de halve wereld”; dat is veler levensdevies. Maar de Heere Jezus heeft geen ophef gemaakt. Die heeft voor zichzelf geen reclame gemaakt. Maar die heeft zondaarsharten veroverd door de kwetsbare kracht van Zijn Heilige Geest. Hij ging stil Zijn weg. En Hij bad voordat Hij stierf zelfs voor Zijn moordenaren. Maar Zijn stille stem spreekt met macht. En ik bid, dat u er zich gewonnen aan geeft. Opdat dit voor u ook moge klinken: “Kind, uw zonden zijn u vergeven” (vgl. Mk.2:5).

3. Ten behoeve van de “gekrookte rieten” komt de Heere Jezus niet met kabaal, maar Hij spreekt tot de armen Zijn vriendelijk woord. Zomaar zondermeer een riet is al niet zoveel waard. Maar een riet, dat geknakt is, stelt al helemaal niet iets voor. En Gods volk in de ballingschap wordt daarmee vergeleken. En het is ook het beeld voor Gods uitgeschudde, ontredderde kerk. En wat wil dit beeld nu zeggen? Het wel zeggen, namens God, de Heere, zeggen: “Het uitgeschudde en ontredderde en schuldige dank Ik niet af.” Er zit een “kniek” in uw leven misschien. Niemand weet het. Maar uzelf weet het. En God weet het. Want in dat gebrokene en gebogene is de Heere Jezus zelf gekomen. Hij is er in thuis. En Hij weet uw stervensangst en levenspijn wel. Want in al onze benauwdheden was Hij benauwd. En wie zijn nu die “gekrookte rieten”? Dat zijn zij, die met de zonde hebben geleefd en die God vermoeiden met hun ongerechtigheden. En ze hebben de zonde gediend, maar er geen verzadiging in kunnen vinden. En wie zijn die “gekrookte rieten”? Dat zijn zij, die onder de gerichten van God erg verdrietig zijn geworden. En zij kunnen zichzelf niet meer helpen. Maar God moet dat doen. En wie Is Hij? Hij is de Knecht des Heeren. Zijn Gezondene en Beminde en die tot de ongelukkigen vriendelijk spreekt. En wij zeggen: “Mijn Heere!” En God spreekt: “Mijn Knecht!”

Brandwijk, J.A.H. Jongkind