(Enige kanttekeningen bij Esther 8 en Esther 9:20-23)

In januari stond in een artikel op de voorpagina van het RD te lezen, dat de autoriteiten in Iran hebben besloten om het “Graf van Esther en Mordechai, de Joden” de status te ontnemen van dat het een pelgrimsoord is. Een fanatieke groep moslimstudenten wilde zelfs het monument vernielen. Ik wist niet, dat er zo`n monument was. Maar het plaatje in de krant toonde een eenvoudig, stenen gebouw dat zo heet. Maar de regering van Iran zegt, dat dat graf niet langer een pelgrimsoord is. En daar blijkt heel sterk de oude Jodenhaat uit.

Het Poerimfeest is een heel apart feest. Poer betekent “Lot”. Haman had het lot de datum van het uitroeien van de Joden vast laten stellen. De dertiende van de twaalfde maand zou dat zijn. Maar het lot van de Joden had een gunstige wending genomen. De Joden waren blijven leven. Vandaar dat dit feest het Poerimfeest heet. Nog steeds is dat feest populair. Vol van pret en muziek en van eten en van drinken is het Poerimfeest dat de Joden tot in onze tijd toe vieren. De Joden hadden in Perzië met een masker op moeten leven. Esther had eerst ook niet durven zeggen, dat zij een Jodin was. Op de Joden loerde de haat. Maar het feest van Poerim is het feest van: “We sterven toch niet!” Van de Joodse feesten is dit het vrolijkste feest. De grote jongens mogen in de synagoge met een hamertje zelfs hard op de banken slaan als de naam Haman in de schriftlezing klinkt.

“Wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in”. Met Haman was dat gebeurd. Voor de Jood Mordechai had Haman een hoge paal op laten richten; maar hij komt er zelf tenslotte aan te hangen. Met de valse Haman loopt het slecht af.

Maar Esther en Mordechai zijn niet nadat Haman was gehangen, op vakantie gegaan. Zij zijn er niet gerust op. Het doodvonnis van de Joden geldt altijd nog. Esther zet alles in om die dreiging uit de weg te ruimen. Weer is zij naar de koning gegaan. En pas dat op uw eigen leven eens toe. Misschien is dat zo, dat u in uw leven een wat lichtere periode meemaakt. Een bepaalde zonde lijkt u overwonnen te hebben. En God troost u. Maar dan moet u toch niet rusten totdat Christus al uw zonden heeft overgenomen en totdat u weet, dat Hij daarvoor stierf. U moet niet rusten totdat het vrede is geworden tussen God en uw ziel. Want geloven is wat anders dan: “Ik heb het!” Maar geloven is de zegen en de genade te zoeken elke dag weer opnieuw.

Esther valt huilend neer voor de koning. En zij smeekt om de vrijheid voor haar zelf en haar volk. En ze weet wel, dat de koning zomaar niet haar wens voldoen kan. Want de koning zit ook aan zijn eigen wet vast. Maar ze vraagt, omdat het moet, om niet minder dan om het onmogelijke.

God zit trouwens op een nog weer diepere wijze dan de koning Ahasveros aan Zijn eigen wet vast. Want als God niet voor Zijn wet opkomt, zou God God niet meer zijn. Nee, de koning kan het niet herroepen wat door Haman tot een wet is gemaakt. Maar de zegelring waarmee de wetten in die tijd bekrachtigd werden en die Haman had gedragen, geeft de koning nu in Mordechai`s hand. En dan is het zo, dat Mordechai een tweede, een neutraliserende wet tegenover die eerste wet stelt. En die tweede wet houdt in, dat de Joden op die fatale datum van hun slachting zich verdedigen mogen tegen wie hen aanvalt.

En nu is de dood niet meer de sterkste, maar het leven. En ik hoop, dat wij zo de prediking elke zondag horen: als de proclamatie van de overwinning van de Heere Jezus. En dat dit het lied is, dat wij dan blij zingen: “De strik brak los en wij zijn vrij geraakt!” (Vgl. Ps.126:4; berijmd).

Nu nog is God de God die het licht in de duisternis maakt. Er is wel een wet in deze tijd, die beveelt, dat de kinderen van God goed op hun tellen moeten passen. Er is wel een wet in deze tijd, die beveelt, dat het dienen van God een strikt particuliere aangelegenheid is. Je mag God wel dienen; als men in de politiek en in de klas maar niets er van merkt. Maar de wet daar tegen is de wet van Christus. Dat is de wet die zegt, dat alle haat de kerk niet zal onder doen gaan.

Nu worden er van de vijanden op de dertiende van de twaalfde maand meteen al 500 vijanden van de Joden omgebracht op de burg Susan. De koning vraagt of Esther daar tevreden mee is. Je zou denken: “Esther vindt het nu wel genoeg”. Maar ze vraagt om nog zo`n wraakdag. Dat doet zij, omdat zij er van overtuigd is, dat het kwaad niet langzaam uit zal zieken, maar dat het er als een kwade kanker uit moet. De les hiervan voor ons is deze, dat je jezelf niet zo nog wat opsieren en verbeteren kunt, maar dat God er onze zonde uit moet halen. En dat niet het ons zo nog wat te verbeteren helpt, maar dat alleen de bekering maar helpt.

De rouw was veranderd in blijdschap. De veertiende en de vijftiende van de laatste maand van het jaar zouden feestdagen zijn. In het midden van de dreiging viert de Jood het leven. En ook de gemeente van de Heere Jezus doet dat. Zij roemt, tegen alle nood en dood in, in God.

Brandwijk

J.A.H. Jongkind