De stem, het hart, de voeten en de handen van de goede Herder (enige kanttekeningen bij Joh.10:27 en 28).

Het eerste is de stem van de goede Herder. “Mijn schapen horen Mijn stem”. Een schaap is een schaap doordat het hoort naar Zijn stem. Zondags horen de schapen de preek. Uit de Bijbel lezen ze bij het eten en voor ze gaan slapen. Ze horen de stem van hun Liefste daarin. Ze hebben hun Meester nooit gezien. Maar ze kennen Zijn stem en ze houden van Hem. Wat doen wij daarmee? Een gewoon schaap kan geen dag zonder eten. Maar een schaap van de goede Herder ook niet. Maar wanneer u in het geestelijke voedsel geen trek hebt? Vraag dan om honger en dorst naar Gods Woord. En zou God u dat niet geven?! “Mijn schapen horen Mijn stem”. Velen horen het Woord en blijven er dezelfde onder. Maar anderen horen het en nemen het aan. Ligt dat aan die stem? Nee, maar als we er dezelfde onder blijven, komt dat omdat ons hart zo hard is. Maar als wij dat eerlijk Hem vertellen, is God nog niet uitgesproken. Maar Hij geeft ons een hart van vlees voor ons stenen hart in de plaats. Dit is het geloof: niet jezelf vertrouwen, maar alleen het Woord vertrouwen. En het meer vertrouwen dan je eigen, zondige hart.

Het tweede is het hart van de goede Herder. “Ik ken ze”. Dat slaat op Gods hart. Als u en ik een kudde schapen zien, zijn die dieren voor ons allemaal hetzelfde. Wij zien er vaak geen verschil in. Maar dat is met deze Herder anders. Schapen en geiten hebben tegenwoordig ook een nummertje in. Maar al hadden ze dat niet in, een beetje herder kent ze toch wel. Zo nu zegt Jezus van Zijn schapen, dat Hij ze kent. Ieder mens heeft een naam. Met die naam moet je het doen voor je leven. Daarom is je naam zo kostbaar. Je bent trots op je naam. Je bent beledigd, als iemand je naam niet goed zegt of teleurgesteld als hij je naam is vergeten. Maar wij zijn er blij mee, als iemand onze naam liefdevol noemt. Liefdevol noemt God onze naam. God roept ons niet bij onze titel of bij onze functie, maar bij onze naam. Dus je hoeft niet iets geweldigs te zijn om door God geroepen te kunnen worden, maar alleen maar mens te zijn, is genoeg. “Ik ken ze”. “Kennen” is in de Bijbel, dat u van elkaar houdt. Het is, dat u zonder woorden ook al weet wat die ander denkt en meemaakt. Het is, dat u weet wat er in een mensenhart leeft. Hij kent de schapen. Want Hij heeft ze gekocht met Zijn kostbare bloed. Hij kent onze gedachten. Maar Hij wijst ons niet af. Hij weet alles van ons. Maar Hij neemt ons toch aan. Bij de brug van Deventer denk ik altijd dat daar eens Jacobus Revius (1586-1858) als predikant stond. Hij werkte mee aan de Statenvertaling. Maar hij was er niet te groot voor om zich een schaapje te noemen van de goede Herder. “Ik ben een schaepken dat daar is, verbijsterd (verloren) in de wildernis. O Vader, zoek mij wederom, opdat ik blijv` uw eigendom!”

Het derde zijn de voeten van de goede Herder. “En zij volgen Mij” Hij gaat ze dus voor. Hij zegt niet: “Zij volgen Mijn geboden en raadgevingen op” (al doen ze dat ook. Want zij houden zich aan Zijn Woord). Hij zegt ook niet: “Zij volgen de weg die Ik heb uitgestippeld” (al is dat op zichzelf niet onwaar. Want zij komen elke dag weer vragen: ”Heere, maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend”). Maar dat staat er niet. Er staat: “Zij volgen Mij”. Volgen wij Hem? De wereld (ook de kerkelijke wereld) loopt vandaag achter die en morgen achter die aan. Maar u komt bedrogen uit zelfs met de besten van de mensen. “Zij volgen Mij”. Dat is de eenkennigheid van de liefde. “Volgen” is niet Jezus imiteren. Het is ook niet zelf nog wat proberen goed te maken  en te betalen van onze schuldrekening. Het is ook niet ervoor te proberen te sparen. Want je kunt toch niet sparen van niets?! Het is ook niet een streven, zodat u elke dag weer een beetje minder zondig en verkeerd wordt. Maar het is te sterven aan jezelf en te leven uit God. Moedig trekken wij door de woestijn. Want is Hij niet bij ons?!

Het vierde zijn de handen van de goede Herder. “En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid; en niemand zal ze uit Mijn hand rukken”. Denk nu niet: ”O, maar dat is pas na dit leven. Dus daar moet je eerst lang op wachten”. Maar zo is het niet. Het eeuwige leven is het echte leven. Het begint, als het goed is, als lang voor de dag van je sterven, als we Jezus gaan kennen door het geloof. Het eeuwige leven is, dat je een hekel krijgt aan de zonde en aan alles waarin God oneer gedaan wordt; en dat je naar Jezus verlangt. “En zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. “Verloren gaan”; wat is dat ontzettend. Maar dat is toch wel het lot van wie Christus niet nodig hebben en niets om Hem geven. Maar wie Christus liefheeft, mag wel zeker weten niet verloren te gaan. Al is het alleen nog maar de dunne draad van het verdriet om onze zonde, dan is dat voldoende en u mag tot Hem gaan. In Zijn handen zijn wij veilig Jezus draagt ons in Zijn sterke handen naar de veilige stal.

J.A.H. Jongkind