“Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden…” (Psalm 27:13).

Onze tekst is een afgebroken zin. Een zin met een stilte er in. Want het laatste van dit vers is wat er ter verduidelijking aan toegevoegd is: “Ik ware vergaan”. Maar dat is schuin gedrukt. Dat staat er eigenlijk niet. Maar de tekst heeft een open einde. En de dichter denkt dat laatste inderdaad wel. Maar hij kan dat laatste niet zeggen. Want hij krijgt een brok in zijn keel met dat hij het denkt. Het wordt hem te machtig. En dan breekt, vlak voor het eind, zijn zin af. “Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden….” Een bewogen zin is dat dus.

 Dat is net zoiets als dat iemand die alleen is komen te staan wel eens tegen me zegt (meestal bij de deur pas): “Ik krijg er de kracht voor”. Maar de tekst is een afgebroken zin. Een zin met een stilte er in. Zinnen met een stilte er in zijn altijd hele diepe zinnen. Dat zijn zinnen die je met je hart zegt. En ze gaan over wat je enige oriëntatiepunt is of je laatste houvast. Het is wel duidelijk, dat dat voor David in de Heere ligt. Want hij heeft het over “Het goede des Heeren”. God is zijn enige zekerheid in de storm. God is zijn leven. Van nature zijn wij allemaal uit op het goede van de wereld. Maar David mag heel ontroerd vertellen, dat hij op het goede van de Heere uit is. “Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden….” Misschien, dat u die psalm dat zomaar nog niet na zegt. Wij denken soms, dat het geloof een luxe ding is. Het is prachtig, als er geen vuiltje aan de lucht is; maar je hebt er niets aan, als er zich problemen voordoen. Alles blijft gewoon zoals het is als we geloven. Veel mensen hebben niet, als het donker wordt, echt iets aan hun geloof. Dat maakt de vraag wel dringend wat het nut is van het geloof. Is het nut van het geloof, dat het onze moeilijkheden oplost? Het nut van het geloof is niet, dat het onze moeilijkheden oplost. Net als alle mensen in de wereld overkomt ons, ook als we geloven, heel veel narigheid en verdriet. Een en hetzelfde overkomt de vrome en de goddeloze. Dat staat in Gods woord. Dus dat maakt geen verschil. Maar het lijkt een onuitroeibaar misverstand te zijn, dat het geloof een snelwerkend medicijn voor onze tegenspoed is. Maar is God dan niet almachtig? Ja, ja; God is wel almachtig. God troost ons en Hij draagt ons. Maar wel op de goddelijke manier en niet op de mensenmanier. “Als ik door een bos loop, is God altijd bij me”, zei een mevrouw, “Ik ben nooit alleen”. Maar ik ben wel bang, dat zij de hemel door de aarde en de aarde door de hemel heen haalt. Je bent, ook al is God je Reisgenoot en je Helper, toch nog wel vaak alleen. David zal dan ook met die zin wel niet bedoelen, dat God al zijn zorgen wegnam. Want daar heeft hij er heel zijn leven genoeg van gehad. Maar hij zal vooral wel hebben bedoeld, dat hij zo blij met God was. En dat er vaak nog wel heel veel moeilijkheden waren, maar dat God er ook was. Maar we gaan nu toch op het nut van het geloof nog wat door. In mijn kast staat een boekje van dr. Anne van der Meiden die het huwelijk van de jonge prins Bernhard destijds in de Dom van Utrecht heeft bevestigd. Het heet: “Het nut van geloven”. Er zijn mensen die het helemaal niet nuttig vinden te geloven. Te geloven zouden ze een zwaarte en een ballast vinden en een blok aan hun been. Maar prof. Van der Meiden staat het nut van het geloven kennelijk voor. “Te geloven; dat is nuttig”, zegt hij. Onze catechismus is dat met hem eens. Zondag 23 zegt: “Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft?” En het antwoord daarop is: “Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam van het eeuwige leven”. Maar al is dat de kern van waar het om draait, dat bedoelt niet de zaak te doen vervluchtigen en verdampen. “In het land der levenden”, zegt David. Middenin dit leven is dat dus. En niet vluchtig, maar heel tastbaar. Op de vraag “Maar wat nut u het geloof, David?”, zegt hij niet: “Dan kom ik later in de hemel”. Maar hij heeft er in het land der levenden ook al veel aan. Als David aan het rekenen geslagen was, had hij geen moed meer over gehad. Maar hij is ook niet aan rekenen geslagen; maar hij gelooft. Alles is hem tegen. De vijanden die op hem loeren zijn hem tegen. En zijn zonde en zijn schuld ook. (Onze zonden zijn ons altijd het meest tegen). Maar ook vlak langs de rand van de twijfel gelooft het geloof. Dus het nut van het geloof is niet, dat ik er blij van word of dat ik er sterker van word. Maar het nut van het geloof is, dat mijn schuld door de Heere Jezus is overgenomen en dat ik in Christus voor God kan bestaan. Dan heb ik dus eigenlijk niet aan mijn eigen geloof iets. Maar dan draait het allemaal om Christus die de schuld voor ons is komen boeten. En leg ook uw schuld daar maar bij!

Brandwijk J.A.H. Jongkind