Naar aanleiding van zondag 10 van de Heidelberger Catechismus.

Het gaat over de “Voorzienigheid”. De punten zijn:

  1. Wat Gods voorzienigheid is.
  2. Wat het geheim van Gods voorzienigheid is.
  3. Wat het leven onder Gods voorzienigheid is.

1. Als het over de voorzienigheid gaat, moeten wij niet van God een helderziende maken. Iemand die alles van tevoren al weet. De voorzienigheid is niet in de eerste plaats iets van Gods ogen, maar die heeft veel meer iets met Zijn handen van doen. De voorzienigheid is, dat God aan het roer staat. En dat Hij alles draagt. En dat Hij alles leidt. Een versje dat daar goed bij past, is het versje: “Scheepke onder Jezus` hoede, met de kruisvlag hoog in top, neemt als arke der verlossing allen die in nood zijn op”. “Voorzien” is vanuit de bijbel, dat God voor ons zorgt. En dat Hij niet van de wijs raakt. Maar dat Hij de weg weet. Als wij nu iets een moeilijk stuk vinden, is het wel het stuk van de voorzienigheid Gods. Als de zon schijnt, valt dat nogal mee. Maar, o wee, als het stormt! Want dat is wat, als er, ook in ons persoonlijk leven, rake klappen vallen. En dan is het misschien wel het ergste als de mensen net doen als de vrienden van Job. Want die zijn niet naast Job tegenover de Heere gaan staan; maar die zijn op de stoel van God gaan zitten en die hebben zich niet één geweten met Job en zijn nood. Jobs vrienden leven nu nog. “Het zal zo hebben moeten zijn”, zeggen de vrienden van Job, “En je moet maar niet vragen; Waarom?” Maar de bijbel vraagt toch zelf ook: “Waarom?”
Je kunt wel gaan, je hoeft niet meer te komen;

Jij praat altijd van zwijgende berusten;
dat kan geen mens – dat doen alleen de bomen,
die naakt en weerloos in de stormwind staan.
Jij hebt een vrouw – jij kunt wel in je lot berusten;

Mijn bed is leeg – Ik ben ziek en alleen.
Je zegt, dat ik gehoorzaam heb te volgen,
maar ging jij zelf die weg gewillig heen?
Je moet niet zo over Gods daden praten!

Denk wat het is ze stil te ondergaan
en voel je eens je hart van God verlaten,
Kom dan nog even bij mij aan.

Misschien dat wij elkaar dan beter kunnen vinden,
dat je mijn schreien beter kunt verstaan.
Misschien dat we dan zachtjes kunnen zeggen:
“Wat God doet, dat is welgedaan!”

2. Het geheim van de voorzienigheid is, dat de Heere Jezus vrijwillig is komen wonen in ons arme, bange bestaan. Eén met de gebroken mensen in een gebroken wereld heeft Hij zich gemaakt. Begrijpen doe ik het niet, dat God heel de wereld en mijn eigen leven leidt en in Zijn hand houdt. Maar ik geloof het, als ik Christus aan het kruis zie en wanneer ik Hem zie strijden voor mijn eeuwig behoud. En als ik niet Gods hand zie, zie ik toch wel Gods hart. Waar zie ik Gods hart? Aan Golgotha`s kruis! En wanneer ik Jezus aan het kruis zie en ik hoor Hem Zijn “Waarom?” roepen, weet ik, dat God het voorzien heeft op mijn eeuwig behoud. En ook onderweg, elke dag, zal Hij zorgen voor mij. Niet dat ik dan wat God doet begrijp. Maar ik stel mij tevreden met wat Hij mij vriendelijk verzekert: “Gij zult het na dezen verstaan”. Zondag 10 is niet een studeerkamerstuk. Het is het lied van een kind dat zijn Vader vertrouwt. Zo vertrouwt, dat het geen kwaad van Hem wil horen. Feitelijk wordt heel het leven in deze zondag genoemd. Loof en gras en regen en droogte worden genoemd.  En vruchtbare en onvruchtbare tijden worden genoemd. En gezondheid en ziekte worden genoemd. En dat is mij niet maar om het even. Maar ik krijg het allebei uit Gods hand. Maar het is wel moeilijk. Werkeloos of ziek zijn; dat is wel heel wat. Een jongen van twintig in een ziekenhuis voor kankerpatiënten in Rotterdam had zijn hele bed behangen met voetbalattributen. Deze jongen zou gaan sterven. Maar dat hele bed riep: “Ik wil leven!” Dat was 28 jaar geleden; maar ik vergeet dat nooit meer. “En alle dingen”. En dan duizelt het je. Is dat voor de mensen met een heel groot geloof? Nee, dat is voor de mensen met een maar heel klein geloof. Maar dat hele kleine geloof kruipt onder de slagen zelfs naar God toe.

3. “In alle tegenspoed geduldig”. Dat valt niet bepaald mee. Tegenspoed heeft er geen van ons graag. U en ik willen niet een boos en bitter lot hebben. Wij houden dat liefst maar zo ver mogelijk bij ons vandaan. Dat is dus niet minder dan een wonder om in alle tegenspoed geduldig te zijn. En dat is genade, als je toch weer doorveert. En wanneer wij, als de nood zijn tol eist, op God blijven hopen. “En dat wij in voorspoed dankbaar zijn mogen”. Dankbaar zijn is niet iets wat wij moeten. Dankbaar zijn, mag. Dankbaar zijn; dat krijg je. Anders zien wij onze voorspoed zelfs helemaal niet. En het eindigt met: “En in alles dat ons nog toekomen kan een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God en Vader”. “Toevoorzicht”; dat is een heel ouderwets woord. Een rood slingertje zet de computer er onder terwijl ik het typ. Maar dat is een woord dat vroeger vrij vaak werd gebruikt. Men kon dan zoiets zeggen als: “Ik mag een goed toevoorzicht hebben”. Dat sloeg op een goede verwachting voor de toekomst. En wel voor de grote toekomst van God. En zo gaan wij, als we in de Heere Jezus geloven, achter Hem aan de heerlijkheid in. Soms vragen we dan nog wel eens: “Waarom?” De twijfel slaat nog wel eens door ons heen. Maar wij varen veilig, onder Christus` geleide, naar de haven der rust. “Wij hebben `s Vaders Zoon aan boord; en `t veilig strand voor `t oog”.