“Geniet het leven met de vrouw, die gij liefhebt, al de dagen van uw ijdele leven, welke God u gegeven heeft onder de zon; want dit is uw deel in dit leven en van de arbeid, die gij arbeidt onder de zon (Prediker 9:9).

(Een indruk van een trouwpreek).

Boven de meditatie staat: “Ons deel in dit leven.”
En de punten zijn:

  1. De grens van dat deel.
  2. Het geheim van dat deel.
  3. Het geluk van dat deel.

1. Het valt niet te ontkennen, dat er iets donkers over het boek van de Prediker ligt. Prediker heeft zijn hele leven diep wat er omgaat in de wereld doorzien en doordacht. En wat hij gezien heeft, was niet zo vrolijk. En daar heeft hij in dit boek, dat naar hem heet, verslag van gedaan. Sommige mensen houden dan ook helemaal niet van hem. Ze vinden hem een “zwart” iemand. Een negatieve persoon. Maar ik denk toch niet, dat hij dat echt is. Hij is een zoeker naar de vrede en een zoeker naar God. Maar zijn zoektocht gaat door vele duisternissen. En daar is alleen maar wel eens even een klein beetje licht. Maar het is toch goed, dat ook hij te visite komt en het bruidspaar komt feliciteren en dat hij zijn ernstige woord tot hen spreekt. Want het huwelijk is een blij gebeuren. Maar het huwelijk is ook iets ernstigs. Want je neemt het in je huwelijk samen op tegen de dood en de bange machten. En het is wel tekenend, dat een Joodse jongen op zijn trouwdag zijn doodshemd aan heeft. Hij rekent dus op de dag van zijn trouwen met zijn sterven. Want al onze tijd is een strijd. Dat was oorspronkelijk niet zo. Maar de zonde heeft ons leven zo moeilijk gemaakt. Bedoelt de Prediker zoiets als “Eet en drink maar en wees vrolijk; want morgen sterven we toch”? Nee, maar hij bedoelt, dat we een goed leven hebben, als de dingen in evenwicht zijn. En als wij het leven aanvaarden zoals het is. Want dat is ons deel. En ons deel is niet alles. Maar ons deel (daar is het een deel voor); ons deel heeft een grens. Wij troosten ons van nature met de alleen maar tijdelijke dingen. We willen “alles”. We willen niet “iets”. Maar ons leven wordt er vlak en leeg van. En daar komen psychische spanningen door en een grote verveling. Want we zijn niet gelukkig met iets anders dan waar God ons gelukkig mee maakt. Maar de Prediker raadt ons om met de eenvoudige dingen tevreden te zijn. En Hij zelf maakt, dat we elke avond tegen Hem zeggen: “God, het is goed.”

2. Voor het geheim van de tekst moeten we kijken naar bijna het slot van dit boek in Prediker 12:13: “Vreest God en houdt Zijn geboden; want dat betaamt alle mensen.” Hoe het alles gaat, hangt van het lot of van ons inschikkelijke of minder inschikkelijke karakter niet af, maar dat hangt van God af en van het vertrouwen dat wij op Hem stellen. “Vreest God!”; dat is niet, dat we bang voor Hem zijn, maar dat wij met eerbied Hem vertrouwen. Tegen de priesters heeft God in het O.T. gezegd: “Ik ben uw deel.” Ik denk, dat de Levieten dat moeilijk hebben gevonden. Want zij hadden ook gehoopt op een eigen provincie en een groot weidegebied. Maar ze kregen er later op z`n best vrede mee: “Ik ben uw deel.” En er is geen beter deel dan dat deel. Maar hoe komen wij aan dat deel? De Heere Jezus wil dat deel ons geven. Alles moest Hij missen. Daar was geen rust voor Hem en geen vrede. Zijn hele leven was één groot lijden. En dat was om ons. Als wij weten, dat het met ons leven fout zit en wij op de knieën komen; ja, dan ook voor ons. En dan komt er iets van de vreugde van het Paradijs weer terug. Want dan is ons leven vreugde; ook al is het nu nog, om de zonde, gedompeld en gedoken in het verdriet.

3. “Er schuilt”, zegt Calvijn, “Veel gevaar in de omgang met de aardse dingen. En wij dienen de van God gestelde grenzen goed in acht te nemen. En wij dienen sober en eenvoudig te zijn. En de aardse goederen moeten voor ons, om de weg naar de hemel te kunnen lopen, niet meer dan alleen maar een hulpmiddel zijn.” Maar al was dat wel zijn hoofdlijn; iets nuanceerde hij dat ook wel weer. Want hij vond, dat het leven niet moest opgaan in de zorg voor het noodzakelijk, maar dat het ook enige versiering behoeft. Er mag ook wel wat luxe in zijn. Ik denk, dat ook Prediker zoiets bedoelt. Anders zou hij het woord “genieten” niet hebben gebruikt. Aan de genotscultuur van de tegenwoordige wereld moeten wij maar niet meedoen, maar wij mogen wel met een eenvoudig hart in de stille, mooie dingen van het leven ons bewegen en er God dankbaar voor zijn. En dan belemmert het het zoeken van het “ene nodige” niet. Dan overdrijven we het zoeken van de weelde en het vertier niet. Maar dan doen we ook niet zuur en grimmig, als het vrolijke licht ons even aanraakt. En in alles is het onze bede: “Is het, God, in Uw welgevallen?” En wij zijn niet hoog, maar wij zijn nederige mensen. ”God, geef mij raad en wijsheid voor mijn werk en het bestuur van mijn huis door Jezus Christus!” En die kunst, nee die gunst, wordt geleerd bij het kruis. Ik bid, dat dit in de weg van de bekering ook van u het deel wordt. Want dan hebt u iets om voor te leven!

Brandwijk J.A.H. Jongkind