(Enige kantekeningen bij vr. en antw. 57 van de Heidelberger).

De punten zijn:

  1. De kritiek op dit geloof.
  2. Het fundament van dit geloof.
  3. Het leven uit dit geloof.

1. Daar is op dit antwoord nogal wat kritiek. Er zou veel ruimhartiger gesproken moeten worden over de lichamelijke kant van de zaak. Men zegt: “De catechismus wijkt uit naar wat er meteen na het sterven met onze zielen plaats vindt i.p.v. te spreken over hoe het dan met ons lichaam zal zijn.” En een ander punt van kritiek is, dat er te filosofisch over een onsterfelijke ziel zou gesproken worden. De catechismus zou nl. uitgaan van een goddelijke vonk, die de binnenste kern van de mens vormt en die onaantastbaar is voor de dood. En dat zou een heidens insluipsel zijn. Maar ik denk, dat die kritiek niet juist is. Onze ziel heeft inderdaad geen onsterfelijkheid buiten de Heere God om. Maar met de dood houdt anderzijds ons eigen “ik” niet op te bestaan. Wat wij zelf zijn, blijft door de dood heen bewaard. En de eigenheid van de ziel wordt door Christus zelf ook geleerd, als wij Hem horen zeggen: “Vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, maar die de ziel niet kunnen doden” (Mt.10:28). En een laatste punt van kritiek is, dat het gewoonweg niet kan. “Een mens, die gestorven is, kan toch onmogelijk weer opstaan?!” Maar de dingen zijn toch niet alleen maar waar, omdat wij ze begrijpen? Want wie dat denkt, denkt helemaal niet aan God!

2. Sterven is: voor Gods rechterstoel staan. Maar wanneer ik bang ben om te sterven, dan troost dit mijn gekweld geweten, dat het leven van de Heere Jezus de garantie van mijn leven is. Jezus zegt niet zondermeer: “Ik ben het leven”, maar: “Ik ben de opstanding en het leven” (Joh.11:25). Dat betekent, dat Hij het leven is, dat door de dood heen is gegaan. Hij bedoelt: “Het vonnis heb Ik gedragen. Al de pijlen van de boze ving Ik op in Mijn vlees.” Daarom is de dood, als we geloven, een ander dood. Die dood is een ingang tot het leven. Wij zijn, als we geloven, al met Christus door de dood heen. En wanneer ik er aan denk, dat ik in het graf moet, dan is dit mijn troost, dat de Heere Jezus daar al voor mij uit is geweest. Zie, het licht is bezig door te breken. Christus zit in de troon. Hij heeft de Vader weer met ons verzoend. De bui trekt voorbij. En wie nu gelooft, heeft niets te vrezen, maar wel alles te verwachten. Voor de dood behoeft hij niet bang meer te zijn.

3. Het leven uit dit geloof is een leven van verwachten en van uitzien. En een leven van eens thuis te komen. “Dat niet alleen mijn ziel van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit, mijn vlees, …aan het heerlijk lichaam van Christus zal gelijkvormig worden.” Ja, de zaligheid is pas ten volle aangebroken, als wij met een vernieuwd lichaam voor de troon van God zullen staan. Maar daarvóór wordt de zaligheid ook al genoten. “Van stonde aan.” Geen seconde zit er tussen iemands laatste zucht op zijn sterfbed en het eerste lied dat hij aan het hemelhof zingt. Er is geen millimeter niemandsland. Maar we worden door de liefde van de Heere Jezus dwars door het duister van de dood gedragen. “Van stonde aan.” En “dit, mijn vlees, zal met mijn ziel dan weer aan Christus` verheerlijkt lichaam gelijk worden gemaakt.” Onze tijd is de tijd van een overdreven lichaamscultuur. En dat is niet goed. Maar dat wil niet zeggen, dat ons lichaam bijbels gezien niet heel veel er toe doet. En met dit, mijn lichaam, waarmee ik liefheb en waarmee ik op de klassenfoto of trouwfoto sta, zal ik eens opstaan. Als er een zaad van tarwe wordt gezaaid, komt er tarwe uit voort. En zo krijgen wij het lichaam dat bij ons hoort. Zo aards is dat, dat het niet aardser kan. En dan is mijn lichaam wel anders. Maar het is geen ander lichaam. Het lichaam waarin ik nu leef, zal vergaan. Kijk eens naar uw oud en rimpelig of gehandicapt lichaam. Als een mens twintig is, is hij al aan de “top”. Maar bedenk dat ons lichaam dan het beeld zal dragen van de Heere Jezus. Een geestelijk lichaam is dat. Dat is niet een “vervluchtigd” lichaam, maar een lichaam dat geheel ter beschikking staat van Gods Geest. Waar gaat onze reis heen? Wat is onze toekomst? Voor het geloof is er nu al iets van de rust in Hem en van de overwinning door Hem. En wij hopen op dat heerlijk en volkomen leven waar de zonde niet meer in bestaat. Nu zijn Gods kinderen door deze wereld heen altijd nog onderweg. Aan de ene kant genieten wij al iets van de heerlijkheid en de rust en de blijdschap door de Heere Jezus Christus. Maar het is aan de andere kant nog maar voorlopig en ten dele. Maar dat houdt de verwachting gespannen. Tot wij eindelijk (en u hoort het hunkerend verlangen daarin), tot wij eindelijk, eindelijk, tot de heerlijkheid van Gods kinderen zijn gekomen.

Brandwijk J.A.H. Jongkind