Een lied Hammaälôth.

Door de wereld trekt er een stoet van pelgrims naar het veelbelovende land aan de andere kant van de tijd. Als liederen onderweg zingen zij de optochtsliederen die wij kennen als de psalmen 120 t/m. 134. Die bekende vijftien psalmen. Als u deze liederen Hamaäloth doorleest, komt het hele leven daar in aan u voorbij. Dat is in deze psalm vooral het leven van ons lijden. Dat is niet een vrolijk onderwerp. Maar het hoort er wel bij. Wij zijn ook niet altijd in een zelfde stemming, evenals die pelgrims. Want de ene keer zijn wij vrolijk gestemd en de andere keer is het net alsof je zorg de overhand heeft. De toon van deze psalm is een ernstige toon.

“Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd”. Door dat “Mij” is het meteen heel persoonlijk. Dus ook ons privéverdriet mag, als wij deze psalm lezen, er bij worden bedacht. Veel geluk is er in ons leven, maar ook veel verdriet. En het verdriet is wat de diepste sporen nalaat. Als je leed om je kinderen hebt, geldt dat. Maar ook als je ziek bent of wanneer er iets van vroeger als een trauma heeft gevestigd in je.

Maar al geeft de psalm er alle aanleiding toe om dat leed heel persoonlijk in te vullen, het is wel zo, dat dit leed vooral op het leed van het volk Israël slaat. Het is zo, dat de dichter zich vooral tot de tolk van Israël maakt. Al 2600 jaar bestaat er een jodendom in de verstrooiing; altijd een vreemdeling en bedreigd en kwetsbaar. Izaäc da Costa, een tot het christendom bekeerde Joodse dichter, noemde deze psalm dan ook Israëls volkslied. Dat Israël onderdrukt wordt is niet iets incidenteels. Het lijden is iets dat bij Israël hoort. Waar komt dat door, dat dat bij Israël hoort? Dat komt omdat Israël als volk dichtbij de Messias staat, Jezus Christus. Israël staat als volk dichtbij het kruis. In Egypte was dat al zo, toen de zwepen kletsten op de blote slavenruggen.

Een vooral geestelijke benauwdheid beschrijft onze psalm. Omdat dit in alle leed nog het meest pijn doet, dat er spotters vragen: “Waar is nu uw God?” Iets komt er, als het zo is, op je af van wat ten volle op Christus afkwam, toen Hij aan het kruis riep: “Waarom?”

“Ploegers hebben op mijn rug geploegd, zij hebben hun voren lang getrokken”. Zoals de aarde door een scherpe ploeg wordt opengereten, scheurt de vijand de rug open van een machteloos volk. Haat slaat altijd heel fel. Israël heeft daar in Egypte en in Babel bang mee kennis gemaakt. Ook de kerk heeft Gods oudste volk veel leed aangedaan.

Maar waar was dat nu om? Meer dan een antwoord kunnen wij proberen te geven op deze vraag. Maar wij lichten dit antwoord er uit: “Israëls lijden heeft te maken met de uitverkiezing. Israëls lijden is het ereteken van zijn zoon-schap, omdat God Zijn meest beminden het zwaarste beproeft”. De Messias is de Heere Jezus. Die vertegenwoordigt God op aarde. Hij is God zelf. Maar om Hem heen zit Israël. Israël dat in de Bijbel ook “Gods Zoon” wordt genoemd. Gods aanwezigheid is volmaakt in Jezus Christus, maar die wordt weerspiegeld in Gods volk als de kring die aan Zijn lijden deel heeft. Als je gelooft, ben je een met Christus in Zijn lijden aan deze kant van de tijd. En als je gelooft, ben je een met Christus in Zijn overwinning aan de andere kant van de tijd. De Joden zowel als de Christenen hebben heel veel trekken van hun Koning. Uit de littekens die zij dragen, blijkt dat. Een gelittekend leven is het leven van Christus geweest. Maar wij zien in het geloof, dat Hij de Bruidegom is. Ja, ik schaam me omdat Hij voor mij leed. Maar ik zing er ook van. Want de zwaarste klappen, ving Hij voor mij op. Dus wij trekken naar Israël een lijn vanuit deze psalm; en ook naar Gods lijdende kerk; en ook naar ons persoonlijke leed.

Dit is wel een ernstige psalm, maar geen sombere psalm. “De Heere die rechtvaardig is, heeft de touwen van de goddelozen afgehakt”. De grote en de kleine Hamans en Hitlers ontgaan niet hun straf. God doet de vernederden recht. Zijn kinderen beschermt Hij. Mogen wij door het geloof ook Gods kinderen zijn? Er volgt voor Gods volk nog een tijd van grote benauwdheid. Want er is geen treuriger volk dan het volk van de Joden en er is geen armer volk dan Gods kerk. Maar ineens kapt God de touwen af van onze verdrukking. Ons einde zal blijdschap en heerlijkheid zijn. Dat is waarop het laatste zinnetje slaat: “Wij zegenen u in de Naam van de Heere!” Wat daar net voor staat is een spottende zegen aan het adres van de goddelozen. “De zegen van de Heere zij met u!”. Dat betekent in dit geval: “Ik hoop dat je een grote oogst van je droge dak haalt!” Maar de psalm sluit met een echte groet af: “Wij zegenen u in de Naam van de Heere!” Ik weet niet wat uw littekens zijn. Maar u mag ze Christus wel tonen. Ook de hele diepe. Want Hij is er voor naar het kruis toe gegaan.

Brandwijk

J.A.H. Jongkind