Ga naar de inhoud

Ten slotte

‘Laten wij de onderlinge bijeenkomsten niet nalaten’ (Hebr. 10: 25). De tijd dat het vanzelfsprekend was om naar de kerk te gaan, ligt al jaren achter ons. En nu door al die beperkingen wegens corona mogen we maar mondjesmaat naar de kerk. Dat duurt intussen zolang dat trouwe kerkgangers de kerkgang afwennen. Is de band met de kerk losser geworden? De schrijver van de Hebreeënbrief vindt het een gevaarlijke ontwikkeling als we niet meer bij elkaar komen. Door weer bij elkaar te komen, worden we op de Heere Jezus gewezen Die onze vaste Rots is en Die ons zekere hoop geeft op de vergeving van onze zonden en op het eeuwige leven. Door samen te komen, kunnen we elkaar aansporen tot liefde. Geen liefde die alleen maar draait om een fijn gevoel, maar een liefde die zich uit in goede werken. Door elkaar te wijzen op de onverdiende en onvoorstelbare grote liefde van God voor ons, worden we telkens weer aangespoord om elkaar lief te hebben met woord en daad. De schrijver spoort ons met name aan om elkaar op te zoeken ‘omdat de grote dag nadert’. Daarmee wordt de dag bedoeld waarop de Heere Jezus terugkomt. Om deze verwachting levend te houden, hebben wij de bijeenkomsten nodig. Zonder samenkomst loopt deze toekomstverwachting ernstig gevaar. Het is mooi om door de liefde van God aangespoord te worden tot goede werken. Het is goed om met blijdschap en liefde uit te zien naar de komst van de Heere Jezus en het eeuwige leven met Hem. Maar dat gaan we missen als we niet meer samenkomen. Gelukkig worden de regels weer wat verruimd. Laten we gretig gebruik maken van de extra ruimte die er geboden wordt om weer fysiek ‘onder het Woord te zijn’. Het is zo belangrijk dat we draad weer op pakken. Het is tot Gods eer en tot heil van onszelf. Van harte Gods zegen toegewenst, van huis tot huis,
De kerkenraad