De a.s. zondagavond is het mijn bedoeling te preken over Joh. 21:1-14. Op de paasmiddag van de ouderen las dhr. Hans Mouthaan uit “Water als wijn” zijn gedicht “Paasontbijt” voor. Hij vindt het goed, dat ik het citeer.

Hij stond die ochtend aan het strand
in `t prille licht hun eerste klant
en vroeg hun in Zijn vriendentaal
wat vissen voor bij `t morgenmaal.
Zij hadden echter niets te eten
en lieten Hem dat kortaf weten.
Toen wees Hij waar op goede gronden
ze vis in `t net verwachten konden
en zonder dat Hij iets verweet
schonk Hij zijn zegen bij de vleet.
Zo toonde Hij voor toen en later:
Ik ken de vissen en het water.
Ik vaar straks op de wereldzee
met ieder vissersscheepje mee.
Al ben Ik voor het oog verborgen
Ik openbaar Mij op de morgen
als aan het strand der eeuwigheid
de hele vloot haar netten spreidt.
Dan is reeds in dat morgenuur
het brood gereed, de vis op `t vuur.

Met een vriendelijke groet,
uw ds. J.A.H. Jongkind.