Ga naar de inhoud

Overleden: dhr. Coenraad Arie Pieter Verschoor

Op donderdag 20 juni j.l. is in Duitsland “onderweg met de fiets” er plotseling een einde gekomen aan het aardse leven van dhr. Coenraad Arie Pieter Verschoor. Hij was 73 jaar. Wij condoleren zijn vrouw Jannie en de andere nabije familieleden van harte met dit verlies. Het was het plan om nog één zo`n grote reis met de fiets te maken. Naar Praag deze keer. Je denkt dan niet, dat het zo letterlijk de laatste reis ook zal zijn. In Amsterdam, in de studietijd, heeft Koen zijn openbare geloofsbelijdenis afgelegd. Toen hij in 1984 hier kwam wonen pakte hij de draad van het naar de kerk gaan weer op. Hij was `s morgens een van de eersten die naar de kerk kwam. Hij was gehecht aan zijn kleine bankje achterin ons gebouw. Wij zijn dankbaar, dat hij zo zonder opsmuk met ons meegeleefd heeft. Wij zullen hem missen. Maar het meest wordt hij gemist in het huis en op het erf hier op Brandwijk waar hij met zoveel plezier heeft gewoond. Jannie mist haar trouwe kameraad. Zonder hem vervolgt zij de reis. Als het wel eens moeilijk is wat wij door te maken krijgen, moeten wij maar proberen te denken: “Helemaal donker laat God het nooit zijn”. Helemaal donker was het in Gethsemané en op Golgotha voor de Heere Jezus. God had Hem, Zijn eigen Zoon, verlaten, opdat wij gedurig door Gods erbarmen omringd zullen zijn. Laten wij allemaal heden, in de tijd van de genade, zoeken om met God te worden verzoend. Hij die met de Doop Zijn hand al naar ons uitgestrekt heeft, is de God die geen bidder laat staan. Op het moment dat ik dit schrijf, is het nog niet bekend wanneer het lichaam van de overledene naar hier zal worden overgebracht. Een gedicht van een voor mij onbekende herkomst moge dit in memoriam completeren.

Ik weet niet hoe het zijn zal in die dagen
wanneer ik scheep ga voor de laatste reis.
Zal dan mijn schip de laatste storm verdragen
en landen aan Gods eeuwig paradijs?

Want ik weet niet, hoe lang de tocht zal duren,
en welke haven ik voorgoed verlaat.
Zal ik dan zwijgend in de verte turen
en alles, wat ik schreiend achterlaat,

niet zachtjes langs de reling horen klagen?
Of zal de wind hoog gierend in de mast
Alleen de stem van storm en branding dragen,
waarin mijn ziel zich van zijn angst ontlast?

Neem mij, Heer God, het roer dan maar uit handen
en laat mij zingend aan de voorplecht staan.
Dan zal mijn schip niet op de rotsen stranden,
maar veilig in Uw haven binnen gaan.